Taal
Kliks
381

PIUS X, PAUS VAN DE EUCHARISTIE.

PIUS X, PAUS VAN DE EUCHARISTIE.

Glorie en dank aan Pius de tiende, Hij die naar Gods verlangen sprak, Die door Gods ogen helder ziende, ‘t Hemelse Brood voor de kind’ren brak! Nu stromen de bloeiende rijen, op t’ woord van de Kindervriend toe, Ze komen zijn liefde verblijen, want God wordt geen kinderen moe! Nu worden naar Christus geheven, die hoofdjes al gulden en bruin, en God voedt met goddelijk leven, de heerlijke bloem uit zijn tuin! ( Pius X-Lied).

Opgedragen aan de Eucharistische Kruistochters van Vlaanderen.

ITALIË... O sole mio...mijn land van de zon!

Wie droomt er niet van een land waar ‘t altijd zonneschijn is? Van een land waar ‘t vredig en vreugdig is en waar de natuur een rijkdom biedt voor oog en hart? Elke vlaming voelt zich getrokken naar zo’n land, en menig kunstenaar trekt er zelfs heen. Dit land der schone dromen is het mooie Italië. Het land waar de appelsienen groeien,...het land waar onze Vlaamse Meesters heen trokken, waar ze bouwden, schilderden en roem verwierven. Dit land is het land van de Pausen, waar het hartje van de Kerk klopt en waar ieder gelovige graag naartoe gaat. ‘t Is ook in dit land dat de familie Sarto woonde. Uit deze familie werd een Paus geboren. Deze Paus was een groot en heilig man, en aan hem willen wij deze bladzijden wijden. Zijn naam is Pius X. Hij wordt zeer dikwijls genoemd: de Paus van de Eucharistie. Ook de grote kindervriend. Hij was het die de mensen de weg terug leerde naar de grote levensbron, naar de Heilige Communie. Hij was het, die de kinderen bij de Kindervriend bracht, het woord van Jezus zelf indachtig; “Laat de kleinen tot Mij komen en houdt ze niet tegen...” Hij was het, die zijn leven offerde voor het behoud van de vrede in 1914. Die Paus - Pius X - kon niet meer sterven. Zijn gedachtenis bleef leven, al gingen de jaren er over heen. Hij was een “Heilige” en een “goede Vader”. In zijn leven werd hij bemind om zijn goedheid en zijn eenvoud, en na zijn dood aanriepen allen hem om voorspraak in de hemel. In dit jaar 1951 zet O. H. Vader de Paus - Pius XII - die zelf ook een grote verering heeft voor Pius X - de kroon op het werk, door de zaligverklaring plechtig af te kondigen op 3 Juni. Vanuit gans Italië en uit vele landen zal een warme hulde gebracht worden aan deze onsterfelijke Paus. Onze Eucharistische Kruistocht Pius X neemt hem nu meer dan ooit tot zijn patroon en beschermer. Deze beweging neemt het tot haar taak, het progamma van Pius X uit te werken en de jeugd te brengen tot de Eucharistie, waar ze het nodige voedsel zal vinden om een rijk christelijk leven uit te bouwen. Deze gedachte zal zij dragen in alle landen, waar er gelegenheid toe geboden wordt, overtuigd, dat alleen een vurig Eucharistisch leven de wereld kan redden en heiligen zal vormen.

Door de Communie wordt behoed de ganse wereld in de Minne van Jezus’ Hart. Sluit vast u binnen in ‘t Heilig Eucharistisch Hart! Al is de wereld vaak verward, wij zullen zonnig ‘t al verwinnen, zo wij de Eucharistie beminnen in overgave en dankbaarheid.....


HET STILLE DORPJE RIESE.

Riese, ooit van gehoord?... Het is een eenvoudig, stil Italiaans dorpje gelegen in het bisdom Treviso en in het Patriarkaat van Venetië, te noorden van Padua en te westen van Treviso, tussen het Alpengebergte en de Adriatische zee. Dat deel van Noord - Italië wordt Véneto genoemd. De grond is er niet erg heuvelachtig en zeer vruchtbaar, zodat de landbouw er ‘t meest beoefend wordt. Het is een gezonde streek, maar de mensen moeten er hard werken. ‘t Volk van Riese is zwart van haar, middelmatige gestalte, godsdienstig, vriendelijk en eenvoudig. De mensen hebben er een grote eerbied voor de priesters en zij houden vast aan hun oud christelijk geloof. Het kerkje met zijn slanke klokketoren tekent zich scherp af tegen de Vooralpen, die in de verte zichtbaar zijn. Buiten Riese vloeit de Musone, die niet ver van Padua in de Brenta loopt. De eenvoudige mensen van Riese houden ook veel van hun Hemelmoederke. Er zijn vele kapelletjes, waar haar beeld in prijkt en in de streek zijn vooral twee bekende bedevaartplaatsen. Te Riese zelf hebt ge het kapelleke op het gehucht Constanza en in de omgeving het groot bedevaardsoord van Cendrole. Dit heiligdom ligt op een 3 km. buiten Riese en het is toegewijd aan Onze Lieve Vrouw- Hemelvaart. Het is hier dat de kleine Jozef Sarto ook zeer dikwijls henen ging om er te bidden. Hij wekte zijn kameraadjes op om er met hem heen te gaan, en daar zongen ze hun liederen en baden ze tot de Lieve Hemelmoeder. daar heeft Maria hem van jongsaf bijzondere genaden geschonken. Het beeld in deze kapel is uit hout gesneden, het is mooi gekleed en draagt op de mantel een gouden ster. De Heilige Moeder Gods houdt haar handen samengevouwen en aan de vingers zitten sierlijke ringen. Op het hoofd draagt ze een grote kroon. Heel het beeld spreekt van goedheid en hemelse zaligheid. Cendrole is werkelijk een mooi plekje, waar ‘ heel stil kan zijn en waar de mensen graag eens komen knielen, om er in stilte en met vertrouwen te spreken tot hun Hemelse Moeder. Het is in dit dorp dat de kleine Jozef Sarto geboren werd en er opgroeide tot een flinke kerel, die voor de Heilige Kerk de grote Paus Pius X zou worden.

DE FAMILIE SARTO.

Te Riese leefde er in het jaar 1833 een achtbare man, Giovanni Battista Sarto, was zijn naam. Hij was van eenvoudige werkende stand. Deze Jan Baptist Sarto was de vader van Paus Pius X. Hij werd geboren te Riese op 27 Mei 1792. Hij had nog twee broeders : Antonio en Hiacinto. In de familie waren er ook twee neven priester geworden. Op 13 Februari 1833, zat Jan Baptist Sarto met Margareta Sanson geknield voor het altaar en werd hun huwelijk ingezegend. ‘t Jaar daarna, op 31 Januari 1834, werd hun eerste kindje geboren. Het was een jongen. De ouders, die een bizondere godsvrucht hadden tot de Heilige Jozef, voedstervader van Jezus, gaven hun kind de naam van Jozef; dat was ook de naam van grootvader Sarto. Er was vreugde in huis en de vrienden en bloedverwanten kwamen de gelukkige ouders hun beste wensen aanbieden. De vreugde keerde echter spoedig in verdriet. Enkele dagen later stierf hun lief kind reeds. De ouders, christelijk als ze waren, onderwierpen zich aan Gods Heilige Wil met christelijke gelatenheid. God zegende dit geloof en ‘t volgend jaar op 2 Juni werd hun een nieuwe lieveling geschonken. Moeder Sarto, onwankelbaar in haar vertrouwen op de Heilige Jozef, wilde dat hun tweede kind ook weer Jozef zou heten en bij het Heilig Doopsel ontving het jongentje de namen van Jozef, Melchior. Antonio Sarto, broeder van Jan Baptist, was peter en Francisca Zorzan was de meter. Op 3 Juni werd de kleine Jozef een kind van God en van de Heilige Kerk. Na de doopplechtigheid omhelsde moeder haar lieveling en ‘t verdriet om haar eerste kind was nu vergeten. Zij bad God, dat zij nu het kindje toch zou mogen houden en ze vertrouwde het kindje aan de Hemelmoeder toe. God zegende deze familie met acht kinderen. Na de kleine Jozef kwam het broertje Angelo en volgden nog zes zusterkens Rosa, geboren in 1838 ; Theresa, geboren in 1840 ; Marie, geboren in 1842 ; Antonia, geboren in 1844 ; Lucia, geboren in 1846 en Anna, geboren in 1948. Het waren flinke kinderen, die vader en moeder zeer veel genoegen schonken. Rosa, Maria en Anna bleven jong en hielpen moeder en later ook hun broer Paus. De andere zusters traden allen in het huwelijk. De kleine Jozef mocht voor moeder meestal de boodschappen doen en gaan winkelen en hij moest ook dikwijls, - als oudste van de bent - op de zusjes en broertje passen. Wat hebben deze kinderen soms pret gemaakt! Ze hadden thuis een kleine moestuin, waar ze hun hartje konden ophalen; daar trokken ze bloemekens om ze voor ‘t beeld van Onze Lieve Vrouwke te zetten. Als ‘t avond was, zaten ze dicht bij elkaar, en moest er verteld worden. Ja, dat hadden ze graag en Jozef moest aan zijn zusjes dikwijls opnieuw vertellen wat vader of moeder voorverteld hadden. Hij kon dit zeer goed en met zijn rijke verbeelding deed hij er dikwijls een beetje bij, dan konden Angelo, Theresia en Rosa het soms uitproesten van ‘t lachen. Neen engeltjes waren het precies ook niet, want menigmaal moest moeder er soms tussenkomen, als het er te wild aan toeging. Maar dat er leven in zat, was een goed teken en spoedig mocht de oudste naar school gaan en later kon hij zijn broertje en zusjes dan meenemen.

SCHONE KNDERJAREN.

De kleine Jozef zat met zijn neusje tegen ‘t venster en vroeg moeder of hij ook naar school mocht gaan? … Ja, moeder zou het eens vragen aan Maëstra Bruna ( Meesteres de Bruyne ) , een weduwe zonder kinderen, die school hield voor de kleintjes, enige stappen buiten hun dorp. Hij werd aanvaard en voelde zich de koning te rijk. Tweemaal daags trok hij er naartoe. De school was zeer gebrekkig, er waren kleine bankjes opgesteld in de gang, tussen de twee huisdeuren. Op die bankjes namen de kleuters plaats en de Meesteres leerde hun de gebeden en de letters. Zij leerde hun lezen en schrijven. Beppo ( Jozef ) bleef er tot zijn zes jaar. Van zijn zes tot elf jaar werd hij leerling van Meester Gecherle. Die school lag maar op enige stappen van zijn huis. De Meester was een van die ouderwetse dorpschoolmeesters, eenvoudig en streng maar ook vaderlijk goed voor zijn leerlingen. Zijn lange stok was de staf van zijn hoog gezag, maar hij gebruikte deze stok slechts bij hoogste noodzakelijkheid. Hij nam graag zijn snuifje en dronk graag zijn pintje wijn. Zijn groot betrachten was het steeds, om van zijn jongens flinke christenen te maken en hun een goede opvoeding te geven. Hij leefde het eenvoudig volksleven mee, kon schoon schrijven, stelde brieven op voor de mensen en maakte schone tekeningen voor kleermaaksters en speldewerksters. In een woord, hij was de raadsman van heel de parochie. Hij leefde voor zijn school en voor de jongens en de leerlingen hielden ook veel van hem. Als de Meester gestraft had, moesten de jongens zich niet gaan beklagen bij vader, want ook deze had een grote achting voor de Meester en de ouders wisten wel dat hij geen straf onverdiend zou geven. Jozef Sarto hield dolveel van hem, en toen hij reeds priester was en naar Riese kwam, zou hij nooit nagelaten hebben eens even binnen te springen bij zijn “Meester”. De goede man had het geluk zijn oud-leerling Beppo Sarto te zien Bisschop worden van Mantoa. Hij stierf in het jaar 1886.

DE DAG VAN DE GROTE BESLISSING.

Jozef, die op school bij meester Gecherle zo dapper vooruitging, bleef ook de beste leerling van Herder Fusarini. Op Pasen van het jaar 1846 was de kleine Sarto elf jaar oud en de dorpspastoor meende te mogen ingaan op het verlangen van de kleine Jozef om hem aan de H. Tafel te laten neerknielen. Op het altaar flakkerden vele kaarsen en het koor jubelde, toen Beppo voor ‘t eerst zijn Jezus mocht ontvangen. Langzaam, als een Tarsicius de armen voor de borst gevouwen en de ogen gesloten, naderde hij de communiebank...De moeders van de communiecanten bleven van achter en hielden hun kind in ‘t oog. Herder Fusarini deed de H. Mis en hield een treffende aanspraak tot zijn jeugdige lievelingen. Na de H. Mis gingen de kinderen in stoet naar ‘t huis van de Herder. Daar werden ze gulhartig onthaald. Allen mochten eten in ‘t huis van de goede priester en na ‘t middagmaal mochten ze in de hof naar de eerste lentebloemen gaan kijken. Allen kregen ze nu een medalje, als aandenken aan deze schone dag, die ze zes achtereenvolgende Zondagen mochten dragen als ze ter heilige Tafel naderden...

Op Jezus denken is zo zoet, ‘t geeft ware blijdschap aan ‘t gemoed, maar boven honing, boven al, is ‘t zoet voor die Hem vinden zal.

Wanneer Beppo weer ‘t huis kwam, zou moeder beproeven hem een geheim te onttrekken, één van zijn innigste wensen, die zij sinds lang meende te kennen, maar waarvan zij echter nog niet heel zeker was. Toen Beppo eindelijk met haar alleen was, wenkte zij hem om nader te komen. << Mijn grote jongen,>> begon zij en zij streelde met haar bleke hand langs zijn gelaat, << in de Kerk hebt gij u vandaag geheel aan God gegeven. Daarna hebben de mensen u in beslag genomen. Doch nu behoort gij alleen aan mij...>> De knaap keek haar diep in de ogen en zei zachtjes : << O, moeder, ik ben zo gelukkig!...>> << Eerst meende ik dat het een droom was. Maar gij waart het werkelijk : vooraan, te midden van nog andere communiecanten, geknield. Ik heb voor u gebeden, Beppo. En ook voor mij zelf heb ik om sterkte gevraagd.>> << Sterkte, moeder? Heb ik u soms verdriet gedaan?..>> << Neen, mijn jongen. Gij zijt altijd mijn troost en mijn trots geweest. Maar ik vrees...>> Zij aarzelde weer. Daarna hervatte ze haastig, bijna gejaagd : << We zijn slechts arme mensen, mijn jongen. En ons gezin wordt nog altijd groter.>> << Ik begrijp u niet, moeder, << viel hij in. << Gij hebt mij niet helemaal laten uitspreken, Beppo. Ik had sterkte nodig om u, mijn oudste, een vraag te stellen.>> << Gij doet zo vreemd, moederlief. Ik heb angst...>> Zij vervolgde op plechtige toon : << Ik wil weten wat er in u omgaat, kind. Laat mij even in uw hart kijken...>> << O moeder, >> riep hij ontroerd uit, << ik houd zeer veel van u, en ge moogt mij alles vragen...>> << Ik heb de schoolmeester ontmoet. Hij heeft me met de meeste lof over u gesproken. Gij zijt zijn beste leerling. Gij moogt geen koewachter worden...gij moet … Hij zal het u reeds gezegd hebben. Maar waarom zouden wij u naar een college zenden?..>> Zij keek hem tegelijk smekend en onderzoekend aan. Beppo boog het hoofd onder haar blik. << Men kan er voortstuderen...>> << Vader zou het misschien niet willen...>> en hij keek in moeders goedige ogen... << Ik heb u dikwijls gadegeslagen, Beppo, in de Kerk en thuis. Als wij samen waren om te bidden bij ‘t kapelleke van onze Hemelmoeder. En dan heb ik dikwijls gedacht...waarom zegt ge niet wat er in u omgaat?>> De knaap begaf nu geheel. Hij wierp zich in moeders armen en weende : << Gij hebt goed geraden, moeder. Ik wil...priester worden >>. Zij omhelsde hem innig. Op ‘t zelfde ogenblik weerklonken stappen... << Hé,...krijgen we nu nog bezoek?...>> Beppo merkte hoe moeder nu rustig was en hoe haar gezicht straalde van geluk. Samen traden zij de ontvangstkamer binnen. De jongen begroette de genodigden, en moeder Sarto nam aanstonds haar rol van gastvrouw waar. Haar man toonde zich zwijgzaam als naar gewoonte en zij haastte zich om de dorpspastoor voor het kleine feestmaal te verwelkomen. << Ik heb nog een gast meegebracht, ignora Sarto.>> << Hoe meer zielen, hoe meer vreugde, >> antwoordde zij hartelijk. << Neem plaats, Heren.>> Haar man zette zich nu aan het uiteinde van de tafel. Don Fusarini en zijn gast, Signore Gecherle, bevonden zich een ogenblik later vlak tegenover Beppo en zijn moeder. Vader Sarto schonk de erewijn in. << Nu we bijeen zijn, wil ik wel graag met de deur in huis vallen >>, zei de Herder. << Er staat vandaag een gewichtige beslissing op de dagorde : Beppo’s geluk en toekomst. Natuurlijk berusten deze in de handen van zijn ouders. Doch ook onze aanwezigheid >> - hij keek even naar de dorpsonderwijzer - << heeft een bizondere betekenis. Zij bewijst de ernst van het ogenblik, omdat wij willen optreden als getuigen in het voordeel van de jongen.>> Meteen verleende hij het woord aan de Meester, die de studielust en de ongewone begaafdheid van de jonge Sarto prees. << Welnu, >> hervatte Don Fusarini, << als priester is mij tevens het doel bekend, waarvoor Beppo zich zo moedig inspant.>> Op dat ogenblik vouwde moeder Sarto de handen en haar lippen prevelden halfluid << O, Madonna, nu begrijp ik waarom wij moesten samenkomen.>> << En ik heb uw man reeds enigszins op de hoogte gebracht, Signora, >> hervatte de Pastoor. << Wij beseffen al te goed welke reusachtige opoffering er van u beiden wordt gevraagd. Maar zodra het uur is gekomen, moet de bittere kelk geledigd worden.>> << Voor mijn schooltje is Beppo volleerd. Wat zal er met hem gebeuren?..>> vulde de schoolmeester aan. moeder Sarto begon stilletjes te schreien. Beppo kon dit niet aanzien en wierp zich voor haar op de knieën. << Vergeef me, moeder. Ik zal werken. Ik zal geld verdienen. Ik ken mijn plicht! Ik wil een steun zijn voor u en vader, voor Rosa, Angelo en Maria...>> << Gij moogt uzelf en ook uw ouders niet bedriegen, Beppo, >> vermaande zacht de stem van Don Fusarini. << Dat kan niemand gelukkig maken. Buig u voor de goddelijke wil.>> << Maar vader wordt oud, >> verdedigde de knaap zijn standpunt. << Hij heeft hulp nodig in de stal en op het veld. En later...>> << Ga voort, wat zoudt ge later?...>> De jongen sloeg verbouwereerd de ogen op, maar liet dadelijk weer zijn hoofd zakken. << Gij weet alles, Don Fusarini, en ook moeder kent mijn geheim.>> << Uw vader zal over uw lot beslissen.>> Doch de man aan het uiteinde van de tafel sprak langzaam, alsof hij elk woord had afgewogen : << Zouden we dat eigenlijk niet aan God overlaten, Don Fusarini …? Hij regelt wind en weer. Hij doet de oogst gedijen of vergaan. Wij zullen op zijn goedertierenheid vertrouwen.>> Daarna viel de vrouw in ; << Schonk Hij me geen twee handen, die de naald kunnen hanteren? Ik zal harder werken en naaien tot een stuk in de nacht. De eer, dat mijn oudste zoon zal priester worden, wil ik duur afkopen en mij door geen geweld laten ontwringen.>> Don Fusarini wendde zich plechtig tot de knaap : << Voortaan rust de beslissing in uw handen, Beppino. Het dorpsschooltje is nauwelijks een boogscheut verwijderd. Maar zeg me eens, hoeveel kilometer het college hier vandaan is?...>> << Zeven kilometer, Don Fusarini.>> << De lessen beginnen te 9 uur,>> ging de meester voort. << Weet ge, hoe laat ge reeds van huis zult moeten vertrekken?>> << Rond zeven uur, Signore Gecherle.>> << Gij zijt een knap rekenaar. Zult ge dat uithouden, elke morgen, zomer en winter, door weer en wind? ...Het is een lange, eenzame weg.>> <<Ik ben jong en, sterk!...>> << Het staat dus vast?...>> << IK WIL PRIESTER WORDEN! >> klonk het vastberaden antwoord.


DE JONGE STUDENT.

Voortaan zou de kleine Beppo Sarto op school gaan naar Castelfranco. Castelfranco ligt op de Musone. Daar versloegen de Fransen een deel van het Oostenrijkse leger op 23 November 1805. Het is een klein middeleeuws stadje met versterkingen en grote torens, opgebouwd door de bewoners van Treviso in het jaar 1199. Er zijn prachtige lanen met plataanbomen. Op de markt, die niet groot is, bevindt zich een kapelleke van Onze Lieve Vrouw, waar veel mensen de Moeder Gods komen aanroepen, en waar de kleine kooplieden van Tombolo hun kaarsen aansteken en een Wees-gegroet gaan bidden alvorens naar de markt te gaan. De kathedraal dagtekent uit de XIIe eeuw. Zeer dikwijls ging de kleine Sarto er heen. Hij bewonderde er de rijkdommen in marmer, de muurschilderijen, de beelden en in ‘t bijzonder het beeld van de ten-hemel-opneming van Onze Lieve Vrouw. Castelfranco heeft ook een mooie parochiekerk en enkele oude huizen in merkwaardige bouwstijl opgetrokken. Naar dit stadje was het dat de kleine Sarto elke dag zou optrekken om er te studeren. ‘t Was waarlijk lastig, zo tweemaal daags deze weg te moeten afleggen, maar vol moed vat hij aan en houdt hij vol. Hij ontzag noch koude, noch hitte. Een enkele maal tijdens de vier jaar, had hij de klas gemist en ziehier in welke omstandigheden. Te dien tijde bevonden er zich nog altijd Oostenrijkse soldaten in de buurt van Castelfranco. Zekere morgen dat Beppo zich weer ter school begaf werd hij, in de nabijheid der stad tegengehouden. De troepen oefenden en de muziek der soldaten weerklonk. Plots zag hij daar, terwijl Beppo toekeek, zijn vader voor hem. Mr. Sarto had iets vernomen van deze militaire operaties en hij was op zoek gegaan naar zijn zoon. Daar vond hij hem, langs de baan bij de soldaten. Hij moest terugkeren met vader naar huis. Later vernam hij dat, er deze dag geen lessen gegeven waren. Hij kende de baan naar ‘t College van buiten. Hij riep vriendelijk goeie dag naar de werklieden op het veld en iedereen kende op de duur Beppo. Jozef leerde soms onderwege, las boeken of neuriede een liedje, de Schepper van al het machtige en schone ter ere. Bij felle zomerhitte kwam hij soms bestoven en nat van ‘t zweet aan. Menigmaal nam hij zijn schoenen op de rug, om ze te sparen en ook om gemakkelijker te kunnen doorstappen. Soms mocht hij meerijden met de Monico’s, wanneer ze naar de markt moesten. Dat was telkens voor hem een waar buitenkansje. Te Castelfranco, zoals te Riese werd hij alle leerlingen de baas. Al zijn leraars getuigden dat ze nog nooit zo een verstandige en godvruchtige jongen in hun klas gehad hadden. Om de zes maanden moesten de leerlingen uit de gestichten van de streek naar Treviso om er in ‘t Seminarie ondervraagd te worden. Ook daar schitterde hij boven al de anderen uit. Na twee jaar altijd heen en weer gaan naar Castelfranco kwam verzachting in het leven van de jonge student. Een goede vriend van Vader Sarto, die te Castelfranco woonde - Signore Finazzi - vroeg of Beppo aan zijn kinderen wat les kon geven. In ruil zou hij er eten en nachtverblijf krijgen. Hij aanvaardde dit voorstel heel graag met toestemming van zijn ouders. Moeder Finazzi hield dolveel van de goede jongen. Zij bezorgde hem een huisaltaar en misgewaden. Zo kon Beppo nu ook << Mis doen >> en de twee zoontjes Pio en Angelo mochten dan de mis dienen. O, ‘t was er soms heerlijk! De drie kinderen van de Heer Finazzi vonden een trouwe vriend en knap leraar in de jonge Sarto. Steeds hebben ze met de grootste lof over hem gesproken en ze bleven hem hun leven lang dankbaar. Zo eindigden ook de vier collegejaren in Castelfranco en nu moest hij weer verder...

DE PRIESTERSTUDENT.

Tot nu toe was het allemaal goed verlopen en de onkosten voor de studie waren voor de familie Sarto niet te hoog, maar nu zou Beppo naar Padua moeten voor 2 jaar wijsbegeerte en 4 jaar godgeleerdheid. Allemaal zeer goed en wel, maar vanwaar zou het geld komen moeten komen? Vader kon zeker deze last niet dragen; hij verdiende amper genoeg voor het onderhoud van zijn huisgezin. Maar Don Fusarine zou wel zorgen dat ze voor de uitgaven niet moesten verlegen zijn. Kardinaal Monico, geboren te Riese, was te dien tijde Patriark van Venetië, en Eerwaarde Heer Fusarini een van zijn beste vrienden. In het Seminarie van Padua bestonden er studiebeurzen, voor onbevoede maar begaafde jongens. Het Bisdom Treviso had recht op twee van die studiebeurzen en door toedoen van Patriark Monico zou één ervan geschonken worden aan de jonge Sarto. De vreugde van de kleine Beppo en zijn goede ouders was onbeschrijflijk en ook heel de bevolking van Riese was er haar herder, Don Fusarini, uiterst dankbaar voor. We zijn in het jaar 1850.... Jozef had nu voor goed Castelfranco verlaten en hij bracht zijn laatste verlof door te Riese, om van daar de weg in te slagen naar het Seminarie. Op ‘t einde van het verlof kreeg hij door Don Fusarini de priestertoog. In Italië bestond en bestaat nog de gewoonte, dat de leerlingen die in ‘t Semenarie komen, aanstonds het priesterkleed aankrijgen. Jozef trok het geestelijk kleed aan te Riese op 19 September van het jaar 1850. Dat gebeurde met een stille plechtigheid in de kerk en het volk, ouders en bloedverwanten mochten er bij tegenwoordig zijn. Herder Fusarini wijdde dat eerste kleed en Jozef ontving het uit zijn handen. Wat voelde de kleine Seminarist zich nu gelukkig! Nu hij het geestelijk kleed aan had, mocht hij ook zijn grote weldoener, Kardinaal Monico, te Venetië persoonlijk gaan danken. De Kardinaal ontving de jonge Seminarist zeer vriendelijk, zodat de kleine Beppo zich spoedig op zijn gemak gevoelde en zonder moeite zijn dank kon uitdrukken. De Kardinaal deed hem blijven en ‘s avonds mocht Jozef Sarto met hem in de huiskapel het rozenhoedje bidden. Bij zijn heengaan bedankte hij nogmaals zijn weldoener en hij zou hem nooit meer weerzien, want een jaar later, in 1851, stierf de door allen beminde Patriark van Venetië. Het was in November 1850 dat Beppo Sarto naar ‘t Seminarie trok. Een man uit het dorp had ingespannen en ‘s morgens van 5 uur reeds stond de kar voor de deur. Beppo had niet kunnen slapen en ook de andere kinderen waren met moeder vroeg opgestaan om Jozef te zien vertrekken. Vader ging mee. Boeken en kleren werden opgeladen. Jozef omhelsde moeder, broer en zusters en ju! ‘t Paard was weg. Allen weenden van ontroering en van innerlijke vreugde om de grote genade die Jozef te beurt gevallen was. Te Padua aangekomen, werd hij er zeer goed ontvangen. Vader gaf hem nog zijn zegen en zijn laatste vermaningen: << God beware u.>> Zijn goede vader ontviel hem enkele maanden later. Het was voor Jozef een zware beproeving.

PADUA.

Padua ligt zuid-west van Venetië en is in heel de wereld bekend om het vermaard heiligdom van De H. Antonius. De stad is zeer oud en uitgestrekt. De wegen en gebouwen hebben hun eigen karakter en er zijn meerdere zuilengangen, eigen aan veel Italiaanse steden. In de stad bevindt zich een Hogeschool, gesticht in 1222. Het is ook een geliefkoosd verblijf voor geleerden, schilders en kunstenaars. Te Padua staat ook het huis, waar Dante tijdens zijn ballingschap tijdelijk toevlucht vond. Aan de uitkant van de stad vinden we de piazza Vittorio Emmanuelle. Op het einde der Piazza ligt de oude kerk van de H. Justina.De kerk van de H. Antonius is een machtig gebouw met zeven torens. ‘t Is het vermaarde heiligdom van << Il Santo >>, d. i. << de heilige >>, waar jaarlijks honderdduizenden bedevaarders naartoe komen. Padua heeft ook veel binnenbruggen en is bekend om zijn vijf oude stadspoorten.

OP HET SEMINARIE.

De jonge Jozef was nu op ‘t Seminarie. In ‘t begin was alles hem vreemd. Hij zat daar nu ver van huis en huisgenoten. Lerrars en medestudenten, die hij nog nooit gezien had. Hij dacht aan moeder die alleen stond, aan Angelo en aan zijn goede zusters.... Hij droomde en speelde te Riese.... Maar bij ‘t ontwaken stond hij weer voor de werkelijkheid. Neen, hij wou en zou nu Riese uit zijn hoofd zetten: er viel dapper te studeren. Hij leerde eerst nog twee jaar latijn, dan volgden 2 jaar wijsbegeerte en 4 jaar godgeleerdheid. Hij bleef steeds de godvruchtige, de geestige en geestdriftige en verstandige jongen van vroeger en was te Padua net als te Riese en te Castelfranco steeds de eerste van de klas. Hier geef ik graag een bulletijn weer van de klein-Seminarist ; Tucht en gedrag : uitmuntend. Lessen ; uitmuntend. Weken ; uitmuntend. De leraar zei ; << De kleine Sarto leert zeer gemakklijk, hij heeft een sterk geheugen en geeft uitermate veel hoop voor de toekomst. op 23- jarige leeftijd had hij zijn studies beeindigd. De eerste twee jaren behaalde hij de ereprijs en de volgende jaren bleef hij op 39 leerlingen steeds de eerste met bijzondere vermelding voor rekenkunde, latijnse en griekse letterkunde en italiaans opstel. Wat ook bizonder de aandacht trok, was zijn buitengewone godsvrucht. Wanneer hij enige tijd had ging hij vaak neerknielen in de kapel voor het tabernakel. Daar bad hij zijn rozenhoedje en dan scheen hij werkelijk niet meer van deze wereld te zijn. Ook voor al de oefeningen was hij steeds zeer stipt; zodat hij nooit enige vrijwillige nalatigheid kon betrapt worden. Een zware beproeving was voor Jozef het verlies van zijn vader. De goede man was na een kortstondige ziekte gestorven tijdens het tweede seminariejaar van Jozef. Jozef was dan vootdurend bezig met zijn moedertje, die het nu zeer lastig zou hebben en die er niet van horen wilde dat Jozef zijn studies zou onderbreken of opgeven. De moedige vrouw stelde al haar vertrouwen op de goddelijke Voorzienigheid en met de hulp van de kinderen trok de familie Sarto goed haar plan. Vanaf het jaar 1856 begonnen voor Eerwaarde Heer Sarto de wijdingen. In November van dit jaar ontving hij de eerste twee kleine wijdingen en op 6 Juni van ‘t volgend jaar ( 1857 ) zijn twee andere. Op 19 September 1857 werd hij tot Onderdiaken gewijd en enkele maanden later, op 27 Februari 1858 ontving ontving hij het Diakonaat uit de handen van Z. H. Excel. Mgr. Farina, Bisschop van Trevisco. E. H. Sarto mocht nu al het Epistel en het Evangelie zingen en over enkele maanden zou hij priester gewijd worden. O, heerlijke genade! De H. Kerk eist dat de kandidaat voor het priesterschap de ouderdom van 24 jaar bereikt heeft. E. H. Sarto was pas amper 23 en 3 maanden. Paus Pius IX ontsloeg hem voor 8 maanden en 16 dagen, zodat Mgr. Farina hem tot priester kon wijden in de kerk van de H. Liberalis te Castelfranco op 18 September 1858, in aanwezigheid van moeder Sarto en vele andere moeders, die God dankten voor de grote uitverkiezing. Hoe aangrijpend was het eerste << memento >> der levenden, waar de zoon bad voor zijn moedertje en dit der << overledenen >> waar hij dacht aan zijn vadertje. Met moeite kon de jonggewijde priester zijn ontroering bedwingen en moeder Sarto pinkte stil haar tranen weg. Na de wijdingsmis werd de jonge priester in plechtige stoet naar de pastorie geleid. Daar mocht moeder met de bloedverwanten de eerste zegen ontvangen en de hand kussen van de nieuwe priester Gods. ‘s Anderendaags ging de gelukkige priester de H. Mis lezen in << Cendrole >>, het geliefkoosd heiligdom zijner kinderjaren. Jozef bedankte Moeder Maria voor al de genaden, welke hij ontvangen had en bad de Koningin van hemel en aarde om verdere bijstand in zijn priesterleven.

ZIE, IK ZEND U..

Nu de glorievolle dagen van priesterwijding en eerste H. Mis voorbij waren, moet het leven weer herbeginnen. Wat zal er met Jozef Sarto gebeuren?... Een paar dagen later bracht de post hem het nieuws ; hij werd benoemd tot Onderpastoor van Tombolo. Tombolo ligt in ‘t noorden van Padua en op een 16 - tal kilometer van Riese. Het is Klein, eenvoudig dorpke met een goede en wijze pastoor, die ongelukkig ziekelijk is : Z. E. H. Constantini. E. H. sarto was voor hem een ware zoon en de Pastoor wederkerig een goede vader. De Pastoor was een man uit één stuk, recht voor de vuist, zeer verstandig, goed maar vastberaden. Hij was ziekelijk en mocht zich niet veel inspannen ; daarvoor werd hem een hulp gegeven in de persoon van de jonge priester Don Sarto. Z. E. H. Constantini onthaalde zijn Onderpastoor zeer vriendelijk en dadelijk kon hij er zich thuis voelen. Eerwaarde Heer Sarto kreeg een afzonderlijk huis, dicht bij de Kerk. Daar woonde hij omtrent vijf jaar. In ‘t begin mocht hij gaan eten op de pastorij, maar later zou hij met zijn zusters samenwonen. Nu O. L. Heer hem hier geplaatst had, begon hij dadelijk te werken. Hij bracht een bezoek aan al de mensen en werd spoedig de vriend van groot en klein. Zijn goed hart, zijn bekwaamheid, zijn mildadigheid en zijn minzaamheid maakten hem spoedig tot een goede volksvriend. Zijn Pastoor droeg hem ook spoedig in ‘t hart en gaf hem raad en leiding, die de Onderpastoor altijd opgeruimd en nederig aanvaardde. E. H. Sarto stond zijn Herder bereidwillig ten dienste, hij bezocht hem regelmatig, bracht verslag uit over al wat hij deed, sprak hem moed in, hielp hem verzorgen, ontzag zich geen enkel werkje, diende de Mis, legde de gewaden gereed en luidde de klok. De Onderpastoor onderwees de kinderen met een bewonderenswaardige ijver en geduld. Hij was kind met de kinderen. Steeds wist hij te vertellen en wat hij zei, sloeg bij zijn jeudige toehoorders in. Hij verhelde hun de schoonste gebeurtenissen uit de gewijde geschiedenis en kon met een ware liefde vertellen over Jezus, de Kindervriend. Hij wist dat hij in ‘t spel de kinderziel best leerde kennen en zo gebeurde het meermaals dat de mensen de Onderpastoor zagen spelen met de kinderen en er zelf deugd aan beleefden. Het geliefkoosde spel was << eitje-klop >>... Er werd een hard ei op de grond gelegd en de speler moest geblinddoekt worden. Zo moest hij slagen en wie het ei raakte, won de inleg. Wat hadden de jongens er plezier in, als ze hun Onderpastoor mochten blinddoeken en dat hij zo vaak moest slaan, maar,..... hij had altijd veel geluk en won dikwijls heel de inleg. Maar bij ‘t einde van ‘t spel deelde hij al de winst aan zijn jongens uit en dan was ‘t een dubbele vreugde. Ook voor de zieken was hij zeer goed. Regelmatig bezocht hij zijn lieve zieken en altijd wist hij hen moede en vertrouwen in te spreken. Altijd en overal vergat hij zichzelf. ‘t Gebeurde eens dat er een mens aan een besmettelijke ziekte gestorven was. Niemand dierf hem naar ‘t kerkhof dragen. Eerwaarde Heer Sarto trok een huis binnen, overhaalde een jonge kerel hem te willen helpen en samen droegen ze het lijk naar zijn laatste rustplaats. een andere keer werd ook een dode vervoerd, die bezweken was aan de cholera. De voerder had te diep in ‘t glas gekeken. Toen de Onderpastoor dit zag, nam hij de lijn van het paard zelf in handen en reed met de dode naar ‘t kerkhof. Hij was ook een wijze raadsman, zowel in de biechtstoel als er buiten. Zijn helder verstand zag aanstonds waar de moeilijkheid lag en dadelijk wist hij de oplossing te geven. ook zijn sermoenen werden graag beluisterd en zijn redenaarstalenten werden spoedig heinde en ver bekend. Op 13 Juni 1866, plechtigheid van de H. Antonius van Padua, mocht hij het gelegenheidssermoen doen in de kathedraal. Zijn toespraak duurde een uur en een kwart en de kerk was bomvol. Allen luisterden met gespannen aandacht en konden niet uitgesproken geraken over dit sermoen. De eerwaarde Heer Onderpastoor bleef ook liefhebber van zang en van orgel en hij had een prachtige stem. Hij had een klein koor gesticht en ‘s avonds gaf hij zangles voor kerkzzang en godsdienstige liederen. Daarbij gaf hij nog bijzonder onderricht aan sommige kinderen, die wat achterlijk waren. Hij ontving vele jongelingen en sprak hen over roeping en priesterschap. En bij dit alles verzorgde hij zijn geestelijk leven met een grote stiptheid en zorg, overtuigd dat daarin de zegen voor zijn apostolaat gelegen was. Hij las de werken van de H. Vaders en verdiepte zich in de Wijsbegeerte en Godgeleerdheid. Hierbij vond hij nog de tijd om meerdere talen te leren zoals Duits en Frans. Waar hij de tijd haalde? Hij liet geen ogenblik verloren gaan en werkte tot laat in de nacht. De nicht van de pastoor, die reeds dikwijls opgemerkt had dat er zeer laat en zeer vroeg licht was bij de Onderpastoor, vroeg eens bij het ontbijt: << Maar Don Beppo, slaapt gij nooit in uw bed?...>> Don Beppo lachte en zei: << Ik studeer veel, hoor soms laat biecht en slaap vier uur, wat voor mij genoeg is...>> Hij was ook zeer mager: weinig slaap en voldoende eten om te leven. Nooit was hij stil, altijd bezig met de zorgen voor anderen. Zijn Pastoor getuigde: << era il moto perpetuo! >> << Hij was de eeuwige beweging >>.


HIJ BLEEF ‘T KIND VAN MOEDER.

Al gingen al zijn zorgen en ook zijn centen naar zijn mensen van Tombolo, toch vergat hij zijn moedertje niet. Voor hen bad hij en met liefde ging hij er henen. In ‘t jaar 1863 kwamen twee zusters bij hem wonen. Dat was een grote verlichting voor moeder. Rosa zorgde nu voor het huishouden, maar ze moest erg zuinig en spaarzaam zijn, want Jozef gaf veel weg en zat altijd zonder geld. Hij besteedde nochtans zijn geld zeer goed en gaf nooit aan mensen, die het zouden misbruiken of te lui waren om te werken. Wanneer Jozef een beetje tijd vond, trok hij ook eens op bezoek bij moedertje. Hij legde de weg steeds te voet af al biddend of in een boek lezend. De wandeling deed hem deugd. Zijn bezoek bij moeder bracht natuurlijk ook zalige blijdschap mee. Als Beppo daar was, wisten moeder en ook zijn zusters niet wat gedaan om hem zo vriendelijk mogelijk te onthalen. Daar in zijn geboortedorp was hij door iedereen gekend en bemind, en van zodra de kinderen hem zagen aankomen, liepen zij er henen, namen zijn hand om ze te kussen en vroegen een kruiske en een prentje. De glimlach op de lippen, wist hij steeds voor ieder een goed woord te vinden. Ja, wie zou er van zo iemand niet houden! 1867 zou het laatste jaar zijn van zijn Onderpastoorschap te Tombolo. Zijne Hoogwaardige Excellentie Monseigneur Farina, die hem te Castelfranco gewijd had, was in ‘t jaar 1860 tot Bisschop genoemd van Vincenza. De opvolger te Trevisco, Monseigneur Zinelle, had Onderpastoor Sarto zes jaar aan ‘t werk gezien. Er was een Pastoor nodig te Salzano en de Bisschop raadde E. H. Sarto aan deze plaats te vragen en mee te doen in het examen, dat hiervoor uitgeschreven werd. Hij aabvaardde en op 21 Mei trok hij naar Treviso voor de ondervraging. Hier ook deed hij zich opmerken door zijn juiste antwoorden en zijn vlug verstand. Hij haalde al de punten en werd benoemd tot Pastoor van Salzano. Met droefheid in ‘t hart zou hij Tombolo verlaten en ook de mensen weenden bij ‘t vernemen van dit nieuws. Ook zijn Pastoor had hem zo gaarne gehouden, maar toch voelde hij zich tevreden om de uitverkiezing van zijn Onderpastoor voor deze schone plaats, waar hij ten volle zijn talenten zou kunnen gebruiken.

DE HEDER MIDDEN DE KUDDE.

Salzano ligt op 32 km van Riese, niet ver van Mestre, in de nabijheid van Venetië, tussen Treviso en Padua. Ten westen vloeit de Musone en ten oosten de Marzenego. het is een van de schoonste landbouwstreken van Noord - Italië. het dorpje is bekend om zijn bewerking van zijde en om zijn grote weverijen. De mensen hadden hier nogal een groot gedacht van hun eigen en ze waren er niet erg mee in hun schik, toen ze vernamen dat hun nieuwe Herder uit Tombolo kwam en daar zes jaar Onderpastoor geweest was. Maar Zeer Eerwaarde Heer Constantini van Tombolo liet aan zijn vrienden weten, dat de mensen van Salzano spoedig hun nieuwe Herder naar waarde zouden schatten en dat hij ten volle verdiende Aartspriester te worden om zijn bekwaamheid en zijn ijver. Zaterdagavond 13 Juni kwam de nieuwe Pastoor te Salzano toe met zijn karreke en zijn paard. Hij was gans alleen en wenste bij ‘t vallen van de avond en zonder enig vertoon in zijn parochie te komen. Waarom? De inhaling was ten laste van de Herder zelf en de nieuwe Herder had geen geld en wilde niemand lastig vallen. De Zondag deed hij de mis en hij sprak tot zijn volk. Iedereen was erdoor getroffen. De woorden kwamen zo welgemeend uit zijn vaderhart, dat niemand kon weerstaan aan de toverkracht van zijn goedheid en van zijn edele welsprekendheid. << Zie >>, zei hij, << hier is uw Herder nu! Ik wil mij gans geven voor u allen en voor ieder in ‘t bizonder. >> Don Sarto was ook seffens thuis bij zijn parochianen. Met ijver vatte hij zijn werk aan. Evenals vroeger, maar nu met herderlijk gezag, mocht hij de kinderen onderwijzen, de zieken troosten, de armen helpen, onderhoud bezorgen aan verlaten oudjes, raad geven en overal de belangen van zijn mensen behartigen. Hij zou steeds vriendelijk zijn tegen iedereen. Dat zou ook te Salzano zijn grote kracht zijn; vriendelijkheid en goedheid. Hij bad voor zijn parochianen en leefde tussen zijn mensen. Zo kende hij ook zijn schapen, en de schapen kenden hun herder. Als geestelijk geneesheer wist hij vele wonden te helen en berouwvolle zondaars vonden in hem de zachtmoedige vertegenwoordiger van Christus, die nooit hard was en woorden van vrede en verzoening bracht. De menselijke zwakheid was hem bekend en allen, die van goede wil waren, vonden steun en vergiffenis. Met welk een ijver zorgde hij ook voor zijn kerk. Alles moest er piekfijn in orde zijn en ook aan zijn zang besteedde hij zijn beste zorgen. Evenals te Tombolo stichtte hij een zangkoor en bij de gewone oefeningen sloeg hij zelf de maat en later stelde hij twee zangmeesters aan, die onder zijn toezicht het werk moesten voortzetten. De scholen vooral lagen hem nauw aan het hart. Daar immers werd gebouwd aan de toekomst. Hij wist en begreep maar al te goed dat, wie aan de toekomst wil bouwen, met de jeugd moet begaan zijn. Daarom ondersteunde hij uit al zijn macht het zo lastig en verdienstelijk werk van zijn onderwijzers en onderwijzeressen. Hij ging de scholen bezoeken, gaf beloningen aan de leerlingen, die goed hun best deden, berispte de luierikken en vermaande de ouders, die hun kinderen te veel involgden. Ondertussen kwamen de jaren 1870 en brak de oorlog uit tussen Frankrijk en Duitsland. Rome werd overweldigd. De Herder leefde mee en vroeg om gebeden aan zijn gelovigen voor de Paus Pius IX, die het dogma afgekondigd had van de onfeilbaarheid van de Paus. Ook tegenover zijn twee Onderpastoors was Eerw. Heer Sarto een goede vader en echte broer. Deze twee Eerwaarde Heren hielden ook spoedig zeer veel van hun Herder en in innige samenwerking gebeurde er zeer veel goed onder de mensen van Salzano. Bij hem was geen berekening. Hij had een betrekkelijk goed inkomen, maar steeds was de kas leeg: << Er zijn toch zoveel mensen, die hulp nodig hebben... ik moet geven, ik kan niet anders >>. Hij spaarde het brood uit zijn eigen mond om het aan de armen te geven. In zijn edelmoedigheid was hij zelfs zo ver gegaan dat hij zijn paardje verkocht om wat meer geld te hebben en aldus de armen en ongelukkigen te kunnen voorthelpen. Hij liet zich bijzonder opmerken toen de cholera uitbrak in de streek. Het was in het jaar 1872, het vijfde jaar dat hij als Aartspriester op zijn nieuwe parochie stond. De verschrikkelijke ziekte vroeg ook haar slachtoffers te Salzano, onverhoeds greep zij de mensen aan en sleepte ze naar het graf. De zieken lagen op hun bedden met ogen, die in donkerblauwe ringen zaten, verglaasd en uitgestorven. Zij lagen daar bewegingloos, met ingevallen wangen en een vertrokken wezen. Iedereen vluchtte hen. De Herder alleen bleef. Hij verzorgde zelf de zieken en werkte met de geneesheren samen. uit zijn handen kregen de stervenden de H. Communie en door zijn vaderlijk woord gesterkt gingen velen gelaten en blij ten hemel. Meestal begroef hij de doden ‘s nachts. Waar niemand meer gevonden werd om de doden bed te halen, deed hij het zelf. Soms gevoelde hij zelf een huivering over zich gaan. Zou hij ook ziek worden? Hij maakte er zich geen zorgen om: de Herder immers was bereid zijn leven te geven voor zijn schapen. Toch wilde hij enige voorzorg nemen; thuis gekomen dronk hij wijn met peper erin, ging wat rusten, kreeg het weer warm, en ‘s anderendaags voelde hij zich opnieuw fris en gezond en nam hij zijn plaats in bij de noodlijdenden.

TREVISO.

EERWAARDE HEER SARTO WORDT KANUNNIK.

We zijn in de herfst van het jaar 1875. Monseigneur Zinelle, die sedert lang Eerwaarde Heer Sarto in ‘t oog had, meende dat zo een man voor grote zaken in aanmerking kon komen. Hij ontbood hem naar Treviso. De jonge Herder trok op, met het gedacht dat de Bisschop hem over een of andere aangelegenheid van de parochie spreken moest. Hij verscheen voor zijn Bisschop met zijn gewone opgeruimdheid. De Bisschop zei weinig, maar overhandigde Eerwaarde Heer Sarto een stuk, waarop deze tot zijn grote verbazing las, dat hij tot Kanunnik benoemd werd van de hoofdkerk te Treviso. Eerwaarde Heer Sarto werd bleek en zenuwachtig en vond geen woorden. Hij trachtte nog een uitweg te vinden, maar neen, hij moest aanvaarden, ‘t was Gods Wil. Bij zijn thuiskomst deelde hij het nieuws mede aan zijn zusters. Deze tijding viel ook de brave zusters zeer hard. Nu immers zou het gedaan zijn met samen te wonen, want in Treviso zou Eerwaarde Heer Sarto in ‘t Seminarie moeten inwonen. moeder Margareta was ook danig onder de indruk... Hij was daar nu zo goed te Salzano en was deze waardigheid niet boven de krachten van haar zoon?... Hij zei haar in zijn eenvoud; << Wees gerust, lief moedertje, wie weet wat er nog allemaal gebeuren moet en we moeten er gewoon aan worden. >> Ook te Salzano zelf werd het nieuws ongraag gehoord. De mensen kwamen bijeen en vertelden ‘t nieuws met een droef gezicht voort: << Hebt ge ‘t reeds gehoord? Don Sarto gaat weg,... onze Aartspriester wordt Kanunnik... >> Met de tranen in de ogen kwamen de mensen naar de pastorie om vaarwel te zeggen aan hun goede herder. De arme mensen vooral vonden het zeer spijtig en zij wisten werkelijk niet, hoe ze hun vader moesten danken. De Herder, die ook in ‘t diepste van zijn gemoed ontroerd was, liet zijn parochianen voor de laatste maal zijn hand kussen, gaf de kleintjes een laatste kruiske en zei dat hij Salzano nooit of nooit zou vergeten. Zo vertrok de goede Herder met de tranen in de ogen naar Treviso en zijn goede zusters keerden terug naar Riese. Op 28 November 1875 werd Don Sarto plechtig geïnstalleerd als Kanunnik in de Kathedraal van Tréviso en kreeg hij van de Bisschop de benoeming als Bestuurder van het Seminarie. << Het was een merkwaardige, sterke stad, waar de rijke families van Venetië hun buitengoed hadden. Er waren zeer veel werkhuizen en een grote bedrijvigheid heerste in de stad. Bij dit alles bezit de stad ook vele monumenten uit de middeleeuwen, die aan Treviso een eigen en bizonder karakter geven. De Kathedraal werd opgetrokken op de puinen van een zeer oude kapel. De piazza dei Signori maakt het centrum der stad uit. Hier bevindt zich ook een practig paleis, dat vroeger diende als de verblijfplaats van de Goeverneur van de Provincie Venetië. Als patroonheilige wordt er, evenals te Venetië, de H. Marcus vereerd.

KANUNNIK SARTO IN ZIJN NIEUW MINISTEIE.

Van de eerste dag af gaf hij zich rekenschap van zijn verantwoordelijkheid en zette hij zich ook aan ‘t werk. Met vreugde gaf hij zich gans aan de opvoeding van de jonge priesterschare. Het was zijn innige overtuiging dat men nooit genoeg kon doen voor de vorming van een heilige en verstandige priesterschare. Bij dit werk kon hij niet nalaten ook de andere jeugd nog te vormen. Hij stichtte studiekringen en gaf conferenties voor de jeugd der stad. Onvermoeibaar als hij was, werkte hij voor vier van de vroege morgen tot laat in de nacht. Van nu af konden al de talenten van Don Sarto tot volledige ontplooiing komen en de ene benoeming volgde de andere op. In 1880 werd hij << Vicaris >> van het Kapittel bij de dood van zijn Bisschop. De nieuwe isschop, Monseigneur Callegari, werd te Rome gewijd en Don Sarto moest met hem meegaan; daar werd hij aan de Paus Leo XIII in een private Audiëntie voorgesteld door zijn Bisschop. Die dag voelde hij zich zeer gelukkig, omdat hij van zo dicht en zo gemoedelijk met zijn << Vader >> had mogen spreken en zijn zegen ontvangen had. Monseigneur Callegari benoemde Don Sarto tot Vicaris Generalis, zijn onmiddelijke helper, en dit bleef hij ook onder Monseigneur Appolonio, de opvolger van Monseigneur Callegari, die in 1882 tot Bisschop van Padua werd verkozen. Ook zijn nieuwe << Vader >> waardeerde de wijsheid en eenvoud van zijn Vicaris en het was dan ook niet zonder ontroering dat op een herfstmorgen van het jaar 1884, wanneer Don Sarto, als naar gewoonte, bij zijn Bisschop kwam, deze hem zijn uitverkiezing tot Bisschop van Mantua bekend maakte. Bij dit nieuws verschoot hij zodanig dat hij gans bleek werd en zijn handen beefden. Hij weende en vroeg aan Mgr. Apollonio dat hij dit voor hem zou willen weigeren, aangezien hij zich niet waardig achtte voor deze grote eer. Monseigneur echter sprak hem moed in en zei dat hij moedig en vertrouwvol dit kruis moest aanvaarden en dat zijn schouders beter in staat waren om het te dragen dan vele andere. Na enkele ogenblikken herwon hij zijn kalmte en zei gelaten: << Ja, ook dat moest er nog bijkomen...>>

EN LUIMIGE GESCHIEDENIS.

Nadat Zeer Eerwaarde Heer Sarto zijn benoeming tot Bisschop van Mantoa ontvangen had, wilde hij zijn vriend, de Bisschop van Padua, eens gaan bezoeken. Toen hij de Kerk van de H. Justine voorbij moest, besloot hij daar de H. Mis te lezen. Toen de Pastoor bij de onbekende priester in de sacristij kwam, bemerkte hij zijn versleten soutane en een beetje ruw vroeg hij; << Van waar zijt gij?...>> << Van Treviso >>. << Wat doet gij daar? >> << Niets . >> << Hoezo, niets?.... Zijt gij dan geen pastoor of onderpastoor of mislezer? >> << Neen... >> << Dat verwonderd mij. Er is daar toch werk genoeg voor een priester en gij voert niets uit!... Ik zal eens een brief schrijven naar uw Bisschop, die ik zeer goed ken. Nu, ge kunt uw Mis lezen. >> Daarna richtte de Pastoor zich tot zijn koster en zei: << Dien gij de Mis en zie toe of alles wel in orde is, ik heb er niet veel vertrouwen in >>. Zodra de H. Mis gedaan was, ging de koster naar zijn Pastoor en zei; << Mijnheer Pastoor, ik heb zelden iemand met zoveel godsvrucht de H. Mis zien lezen. >> << Zoveel te beter, >> zei de Pastoor en er ging een hele gerustheid over hem. Toen ging hij zien in het boek, waarin de priester zijn naam had geschreven en het was niet zonder verbazing dat de Pastoor vaststelde dat het de nieuwe Bisschop van Mantoa was, die zopas in zijn Kerk de H. Mis had gelezen.

DE NIEUWE BISSCHOP BLJFT DE EENVOUDIGE BEPPO. ( MANTUA ).

Neen, in het leven van Don Sarto zou niets veranderen. Toen zijn zuster hem zei bij haar eerste ontmoeten na het grote nieuws: << Beppo, ge zult zeker fier zijn met uw kruis en ring, als Bisschop.... >> antwoordde hij : << Neen, niets zal in mijn leven veranderen. >> Dit was ook inderdaad zo, zoals we verder zullen aantonen en zoals zal blijken uit heel zijn houding als Bisschop, Patriark en Paus. Zelfs toen hij Paus werd, was ook weer zijn antwoord: << Ik zal Beppo blijven...>> Dat is voorzeker een van de bijzonderste kenmerkerken in het leven van Pius X ; zijn eenvoud en zijn goedheid. Deze deugden zijn het die hem ten slotte welgevallig maakten in de ogen van God en bij de mensen. De bisschopwijding van Monseigneur Sarto vond plaats op 23 November 1884. Het was Zijne Eminentie Kardinaal Parocchi, die de wijding deed, bijgestaan door Monseigneur Berengo. Samen met hem werden nog twee andere bisschoppen gewijd. In de namiddag werd de nieuwe Bisschop van Mantua ontvangen door Z. H. de Paus Leo XIII, die hem een prachtig borstkruis en een Pontificale ( boek voor de bisschoppen ) in vijf delen, met prachtig leder ingebonden, schonk. Toen sprak de Paus volgende merkwaardige woorden tot Mgr. Sarto ; << Indien het bisdom Mantua zijn Bisschop niet graag ziet, is het een teken dat het geen enkele kan graag zien, want vriendelijker Bisschop bestaat er niet meer. >> Monseigneur Sarto zelf schreef naar enkele Hoogwaardigheidsbekleders in zijn bisdom ; << In mij zult ge geen priester vinden die het vredesvandaal draagt en als wet slechts liefde kent. Uw nieuwe Bisschop bezit zeer weinig, maar hij heeft een groot hart. Hij koestert slechts één ideaal; zielen redden en al zijn diocesanen tot één grote familie maken van vrienden en broeders. >> De grootste zorg besteedde hij aan zijn priesters en ook aan de vorming van zijn toekomstige priesters. Hij hield eraan de drie eerste jaren zelf het bestuur van het Seminarie in handen te houden en voortdurend prentte hij de Seminaristen deze diepe geest van geloof en godsvrucht in. Hij wilde hen vormen tot geleerde priesters, die altijd en overal met gezag zouden kunnen optreden. Hij vormde zijn priesters tot een ware liefde voor de Paus. Zolang hij Bisschop was, heeft hij nooit een dag voorbij laten gaan zonder een bezoek gebracht te hebben aan het Seminarie. Altijd ook nam hij deel aan het afnemen der prijskampen en graag stelde hij zelf enige vragen om ieder Seminarist afzonderlijk eens te beproeven. Ook voor de diensten in de kerk en voor de zang eiste hij meer zorg en op dit gebied heeft hij in zijn bisdom echt wonderen gedaan. Hij wist dat de mensen daar van hielden en dat op deze manier ook weer zeer veel goed kon gedaan worden aan de zielen. Eens zijn priestekorps in orde, begon hij met zijn bezoeken aan al de parochies van het bisdom. Hij wilde persoonlijk vaststellen of alles goed uitgevoerd werd en of zijn zonen gevolg gaven aan de bevelen en raadgevingen van hun Herder en Vader. Van in de vroege morgen trok hij met zijn secretaris er op uit. Soms kwamen zij er zo vroeg aan dat niemand hun aankomst gemerkt had. Meermaals gebeurde het dan dat de Bisschop zelf plaats genomen had in de biechtstoel en biecht hoorde, toen de Pastoor afkwam om een stoet op te stellen en de Bisschop te ontvangen. Zo gebeurde het eens dat de Pastoor zijn parochianen aanzette om zich wat te spoeden, want de Bisschop kon elk ogenblik aankomen. Opeens trok de Bisschop het gordijntje van de biechtstoel open en riep tot de Pastoor ; << Neen, ge hoeft niet verder te gaan, ik ben hier reeds...>> De goede Pastoor was er ten zeerste door onder de indruk, maar de goedheid en vriendelijkheid van de Bisschop bracht hem dan dadelijk weer op zijn effen. De goede resultaten bleven ook niet uit en na enkele maanden kende de Bisschop de toestand van ieder parochie, zowel op geestelijk als op stoffelijk gebied en iedereen hield van de Bisschop om zijn goedheid en zijn eenvoud. In zijn privaat leven was hij ook een waar voorbeeld. Elke dag stond hij te 5 uur op, hij las de H. Mis en daarna begaf hij zich elke dag naar de Kathedraal om biecht te horen en zeer dikwijls bleef hij er tot acht uur. Dan kwam hij terug naar het bisdom, deed zijn briefwisseling en stelde ook deze voor zijn Secretaris op punt en daarna begon hij met de audiënties tot ‘s middags. Hij at zeer weinig en liet altijd iets over voor de armen. Na de middag ruste hij tot 2 uur en dan hervatte hij zijn werkzaamheden. Rond de avond deed hij een kleine wandeling en bij voorkeur langs het kanaal, waar hij een praatje hield met de vissers. Bij zijn terugkeer bad hij zijn rozenhoedje in zijn kapel, gebruikte daarna zijn avondmaal en van 9 uur tot middernacht brevierde hij of hield hij zich met de studie bezig. Zijn huisdeur stond open voor iedereen, arm of rijk, jong en oud. Als er jonge priesters op ‘t Bisdom waren, werden ze uitgenodigd om met hem te eten en als zijn zusters niet thuis waren diende hij zelf op. Zo ontving hij ook zekere dag een jonge priester, die later Pius XI zou worden en diende de tafel zelf voor hem op. Als hij arme mensen ontvangen had, was zijn afscheidsgroet steeds: << Kom maar gauw eens weer...>> Dat was allemaal heel wel en schoon, maar.... de beurs was dikwijls plat en zijn zusters zaten werkelijk in verlegenheid. Zo gebeurde het zekere dag dat de Bisschop werkelijk geen cent meer had en hij moest 100 lira hebben.... De Bisschop zette zich op de knieën en bad om hulp. Hij was toen in zijn werkkamer. Plots werd er op de deur geklopt en een heer kwam binnen. Na de Bisschop gegroet te hebben gaf hij hem een omslag en zei; << Excellentie, wil A. U. B. eens drie Wees- gegroetten voor mij bidden... >> De Bisschop dacht dat het een zakenbrief was en deed de omslag open.... Er stak een briefje van 1.000 lira in! << Ik dank U, Markies, sprak hij, het is de Voorzienigheid die u tot mij zond. Ik zat in ware geldverlegenheid. >> Waarlijk Monseigneur Sarto was alles voor allen en hield niets voor zichzelf. Het kon dan ook niet anders of … O. L. Heer moest ook het werk en het apostolaat van zijn dienaar zegenen.

NAAR VENETIË.

In het Consistorie van 12 Juni 1893 benoemde Paus Leo XIII Monseigneur Sarto tot Kardinaal met Sint-Bernardus van de Thermen als titelkerk en drie dagen later werd hij aangeduid als Aartsbisschop en Patriark van Venetië. Zijne Eminentie Kardinaal Sarto nam bezit van zijn titulaire Kerk op 21 Juni 1893. Te dier gelegenheid hield de Kardinaal ook een kanselrede, die buitengewoon indruk maakte op al de aanwezigen. Een eenvoudige vrouw kon zich niet inhouden na deze rede hardop te roepen; << O! Wat spreekt die Kardinaal toch goed! >> Na deze plechtigheid mocht Kardinaal Sarto terugkeren naar Mantua, waar hij met toelating van de H. Vader nog twee jaar mocht blijven, tot zijn grote vreugde en ook deze van de mensen uit zijn bisdom. Met nieuwe ijver bezield, zette hij zijn werk voort en niets veranderde hij aan zijn gewone doening, nu hij Kardinaal was. Hij bleef de goede en goedhartige mens voor wie het paars geen beletsel was voor zijn eenvoud. Op 21 Januari 1894 werd er te Revere een verschrikkelijke heiligschennende diefstal gepleegd. Dieven waren in de kerk binnengebroken, hadden de heilige vaten weggenomen en ook de H. Hosties. Toen Kardinaal Sarto dit droevig nieuws vernam, begaf hij zich dadelijk naar het Seminarie, vergaderde al de seminaristen in de kapel en wenend bad hij samen met hen de akte van eerherstel.

Op 1 Februari begaf hij zich met al zijn seminaristen naar Revere. Het H. Sacrament werd uitgesteld, hij zelf zong de H. Mis en betrad de kansel. Hij sprak met zo een ontroering over deze heiligschennis dat alle aanwezigen weenden. ‘s Avonds na de Miserere gezongen te hebben, verliet hij de parochie onder het grootste enthusiasme van de bewoners. Na zijn benoeming tot Patriark van Venetië waren er dadelijk grote moeilijkheden ontsaan tussen de Staat en de Kerk. Deze moeilijkheden kregen eerst hun oplossing op het einde van November 1894. Het was dan ook pas op 24 November van dit jaar dat Kardinaal Sarto zijn intrede kon doen te Venetië.

VENETIË... EEN DROOM.

Ja, Venetië met zijn prachtige gebouwen, zijn 117 eilandjes door 150 kanalen gescheiden, waarop de << gondels >> varen, is een echt sprookjesland. het is er zo heel eigenaardig, zo rustig, zo stil dat men meent in een andere wereld te komen. Daar, in dit sprookjesland, werd Kardinaal Sarto tot Patriark aangesteld. Het bisschoppelijke paleis is gelegen op de plaats die genoemd wordt << Leocini >>, of kleine leeuwkensplaats en paalt aan het prachtige en machtige paleis der << Dogen >>. Het patriarkaal paleis bestaat uit vier grote vleugels. Binnen is het ook zeer prachtig en beroemd om zijn stijlvolle zalen. En in al dit rijke en schone kwam de eenvoudige onderpastoor van Tombolo, de pastoor van Salzano en de Bisschop van Mantua wonen. Toch veranderde niets aan zijn levenswijze. Ook daar bleef hij de arme man met zijn rijke gaven van godsvrucht, goedheid en vriendelijkheid jegens iedereen en ook nu bleven de deuren wijd open voor armen en noodlijdenden. Kardinaal Sarto bracht met zich zijn dienstknechten uit Mantua mede en ook zijn zusters; deze eenvoudige juffrouwen, die in alle nederigheid hun broer dienden, steeds teruggetrokken voor de wereld en alle wereldlijke eerbewijzen.

ONVERMOEIBARE WERKER.

Hier ook vond Kardinaal Sarto veel werk. In zijn werkzaamheden liet hij zich bijzonder helpen door Monseigneur Bresan, zijn Secretaris, en door een jonge priester, Joseph Pescini. Op vele brieven antwoordde hij zelf persoonlijk. Al het geld dat hij bezat ging ook hier weer naar de armen. Dikwijls moesten zijn zusters hem aanmanen tot voorzichtigheid, want de kas was leeg en er moest toch ook eten gekocht worden. Het kwam zelfs zover, dat zijn Secretaris hem moest in ‘t oog houden en de uitgaven regelen. Bij ‘t begin van de maand bracht hij hem telkens de som geld, die aan goede werken kon en mocht besteed worden. Altijd moest de Secretaris dezelfde klacht horen; << Kan ik dan maar over zoveel beschikken? >> En de derde dag van de maand was alles gewoonlijk reeds weg en zat de Kardinaal zonder één lira. In zijn buitengewone eenvoud en goedheid deed hij ook zeer veel goed. Elk ogenblik kon men hem benaderen en was hij gereed om te helpen. Maar dit belet niet dat Zijne Eminentie toch ook kon doordrijven en geen zwakheid kende, wanneer het er op aankwam de juiste weg aan te wijzen. Hij kon soms harde waarheden zeggen en hij dulde geen middelmatigheid.

Alle misbruiken werden door hem bestreden en aan de wet viel niet te tornen. Evenals te Mantua was ook hier zijn grote zorg; zijn seminaristen. Hij paste dezelfde methodes toe en mocht er de schoonste resultaten bij ondervinden. Hier ook nam hij het bestuur van het Seminarie gedurende een tijdje in handen. Later opbenoemde hij Monseigneur Cavallari, die hem ook als Patriark van Venetië zal opvolgen.

HET EUCHRISTISCH CONGRES.

Kardinaal, Sarto leed zovele onverschilligheid tegenover de H. Eucharistie en nog meer onder de vijandige geest, die voortdurend aangrieide. De heiligschennisen werden menigvuldiger en een congres van vrijmetselaars en goddelozen had plaats gehad, waar ze openlijk en strijd ingezet hadden tegen de Christus van de Eucharistie. Dat mocht niet blijven duren. Wat kon er gedaan worden? Hij zou een Eucharistisch Congres beleggen. Hij had het plan goed bestudeerd en voorgelegd op de vergadering der Bisschoppen van Napels, Turijn, Milaan en Orvieto. Allen keurden het plan goed. Alvorens van wal te steken wilde hij dit plan ook voorleggen aan de H. Vader. In een schrijven van 24 September 1896 antwoordde Kardinaal Rampolla, staatssecretaris, in naam van Z. H. de Paus dat de H. Vader dit plan goedkeurde en vele vruchten van het Congres verwachtte. Nu maar aan 't werk! Kardinaal Sarto maakte gebruik van het feest van Allerheiligen om een brief te schrijven om dit Congres aan te kondigen. In dit schrijven lezen wij: << Gij kunt u niet voorstellen, dierbare broeders, met welk een vreugde wij u dit nieuws melden. Z. H. de Paus Leo XIII heeft ons aangemoedigd en gezegend. Er zal dus volgend jaar een Eucharistisch Congres gehouden worden te Venetië, dit om hulde te brengen aan O. H. Jezus Christus in het H. Sacrament. Ik ben er innig van overtuigd, dat u mijn vreugde deelt bij het vernemen van dit nieuws en dat ge ook alles in 't werk zult stellen om uw dankbaarheid te betuigen voor de weldaad van dit buitengewoon mysterie van liefde. >> In zijn schrijven heeft hij het verder over de rechten van Christus op de maatschappij en op de enkeling en in een heerlijke bewoording zegt hij verder; << Maar tegenwoordig wordt Christus uit de families verbannen, ook uit de scholen, alsof men een gelukkige jeugd kan vormen zonder God. Hij wordt verjaagd uit de wetgeving en uit de sociale instellingen om zo te vervallen in het heidendom. Hiertegen moeten wij strijden en er op waken dat ook de lamp van ons heiligdom niet uitgedoofd wordt.....>> Hij eindigt zijn schrijven met te wijzen op de vruchten die dit Eucharistisch Congres moet opleveren. De Eucharistische Christus moet bij ons blijven en ons voedsel zijn in de strijd en midden de gevaren. Zo werd dan ook het negentiende Eucharistisch Congres - het vijde in Italië - gehouden in de kerk van St. Jan en St. Paulus, een van de schoonste, zoniet de schoonste kerk van Venetië en van gans Italië, van 8 tot 12 Augustus van het jaar 1897. Op het Congres waren aanwezig; vier Kardinalen en acht en twintig Bisschoppen en Prelaten en vertegenwoordigers van bijna al de Bisdommen van Italië en ook uit andere landen. Een van de bijzonderste aantrekkelijkheden was wel de Eucharistische tentoonstelling. Venetië was hiervoor zeker de meest geschikte plaats en wel in de zaal van << La Scuola >> of de broederschap van de H. Rochus. Deze tentoonstelling werd door Kardinaal Sarto geopend op 8 Augustus, omringd van Kardinalen en Bisschoppen en ook van de burgerlijke gezagsragers van de stad en het land. Aan de Kardinaal werd nogmaals een gelegenheid geboden om zo iets schitterends te organiseren en wel ter gelegenheid van de jubelfeesten van de H. Gerardus Sagredo, martelaar. Dit feest wordt jaarlijks met grote luister gevierd, maar deze jubelfeesten zijn en blijven enig in de geschiedenis van Venetië. Hij kende ook droeve dagen, maar steeds bleef hij vertrouwen op Gods Voorzienigheid en was hij voor iedereen de goede vader en wijze raadsman. De negen jaren, die Kardinaal Sarto te Venetië doorbracht, mogen zeker geteld worden onder de meest vruchtbare van zijn leven. Mogen wij de lezer hier ook doen opmerken dat het een opvallend feit is in het leven van Pius X dat het cijfer NEGEN zo menigvuldig voortkomt..... Hij was gedurende negen jaar Onderpastoor te Tombolo, negen jaar Pastoor te Salzano, negen jaar Vicaris - Generaal te Treviso, negen jaar Bisschop van Mantua en negen jaar Patriark van Venetië.

BIJ DE DOOD VAN LEO XIII

Gans de Kerk was in rouw om het heengaan van haar 90 jarige Vader Opperherder, Paus Leo XIII. De Kardinalen van gans de wereld werden uitgenodigd om zich naar Rome te begeven voor de begrafenis van de Paus en het bijwonen van het << Konklaaf >>, waarin een nieuwe Paus moest verkozen worden. Te Venetië vertrok Kardinaal Sarto naar Rome op 26 Juli 1903 onder klokgelui en de belangstelling van duizenden mensen, die hem nog eens wilden groeten. Bij het station waren al de pastoors en priesters van de stad aanwezig en ook vele hooggeplaatste leken wilden de Kardinaal een goede reis toewensen. Hierdoor werd de goede Vader diep ontroerd en tussen zijn zegeningen in en met een bije lach zegde hij steeds ; << dank u... dank u... >> Met moeite kon hij Secretaris een weg banen door de massa. In het station richtte hij ook nog enkele woorden tot de mensen en opeens kwam zijn hart boordevol. De goede Vader vroeg een goed gebed voor de belangrijke zaak, die zich deze dagen zou voordoen te Rome en hij besloot; << Weest er van overtuigd, ik zal deze ogenblikken nooit vergeten. neen, levend of dood zal ik mijn goede Venetianen steeds indachtig blijven. Venetië zal in mijn hart blijven leven. In afwachting, bidt goed voor mij >>. Na deze woorden steeg een echt orkaan van handgeklap op. Zijne Eminentie stapte het rijtuig in en de trein zette zich langzaam in beweging. De Kardinaal nam plaats aan het raam en zegende de massa, die langs het spoor was samengestroomd. Eens uit het zicht kon hij zich niet meer bedwingen en enkele tranen kwamen te voorschijn. Hoe voelde hij zich één met zijn volk en hoe goed waren zij voor hem! Het was alsof de mensen van Venetië een voorgevoel hadden dat zij hun Patriark niet meer zouden weerzien. Nu werd het in Rome ook een drukte van bellang. Iedereen vroeg zich af; << Wie zal nu Paus worden?.... >> De aankomst van de Kardinalen werd met spanning gevolgd en op het St. Pietersplein bevond zich steeds een massa nieuwsgierigen. Kardinaal Sarto kwam er aan in de morgen van 27 Juli, vergezeld van Monseigneur Bressan en van zijn knecht, G. Gornati. Hij nam zijn intrek in het Lombardisch College. Op Dinsdag 28 Juli droegen de Kardinalen de H. Mis op in de Sixtijnse kapel voor de zielerust van de overleden Paus. Het was een indrukwekkende plechtigheid en de zang << Dies Irae >> van Don Perosi, voor deze gelegenheid gemaakt, raakte alle aanwezigen in het diepste van hun gemoed. Onder de Kardinalen werd er druk gesproken over het << Konklaaf >>. Kardinaal Sarto vertrouwde op Gods Voorzienigheid en was niet het minst om zijn persoon bekommerd. Zekere zat hij naast een Franse Kardinaal die hem vroeg ; -- << Uwe Eminentie is wellicht een van de Aartsbisschoppen van Italië? >> Kardinaal Sarto antwoordde in het Italiaans; -- << Ik ken geen Frans >>. Monseigneur Lecot vroeg hem dan in het Latijn; -- << Van welk bisdom zijt U Aartsbisschop?.. >> Kardinaal Sarto antwoordde weer in 't Latijn ; -- << Ik ben Patriark van Venetië >>. -- << Spreekt gij geen Frans?.... Dan zijt ge ook geen kanditaat om Paus te worden, want een Paus moet Frans kennen...>> -- << Neen, Eminentie, Ik ben geen kanditaat en.... God zij dank! >> Maar de Voorzienigheid zou er anders over beslissen.

HET KONKLAAF VOOR DE PAUSKEUZE.

Alle voorbereidsdelen waren genomen en de Kardinalen maakten zich gereed voor de pauskeuze. Deze pauskeuze gebeurde in de loop der geschiedenis van de Kerk op de meest verschillende manieren. Er kwamen ook wel eens misbruiken door de ongepaste inmenging van koningen en keizers. Ook in het Konklaaf bij het kiezen van Paus Pius X, was er nog een ongewenste inmenging van de Keizer van Oostenrijk, die bij de derde stemming zijn << veto >> of weigering stelde voor Kardinaal Rampolla. Maar het heilig College der Kardinalen stoorde er zich niet aan, zodat de Kardinaal in de volgende stemming nog een stem meer behaalde. Hoe verliep het Konklaaf? Monseigneur F

. Riggi, apostolische protonotarius en ceremoniemeester, stuurde naar al de Kardinalen een uitnodiging op order van de Kardinaal-Kamerling. Ziehier de uitnodiging voor Kardinaal Sarto; << Aan Zijne Eminentie Jozef Sarto, Kardinaal- priester van de Heilige Roomse Kerk, ten titel van Sint Bernardus van de Thermes, te Rome. Uitnodiging om het Conklaaf bij te wonen voor het verkiezen van een Paus. >> << Op Vrijdag 31 Juli 1903, te tien uur zal Zijne Eminentie Kardinaal S. Vannutelli de Mis van de H. Geest zingen. Hunne Eminenties de Kardinalen zullen er tegenwoordig zijn in violette mantel en in een toga van dezelfde kleur. Bij het begin van de H. Mis zal de aanspraak << voor het kiezen van een Paus >>, gehouden worden >>. << Dezelfde dag, te vijf uur ‘s avonds zullen de Kardinalen zich verzamelen in dezelfde kapel, gekleed met de mozetta en in violette toga. Vandaar zullen zij zich begeven, volgens hun rang en ouderdom, naar de zaal van het Konklaaf, voorafgegaan door het kruis en de zangers die het gebed << Veni Creator Spiritus >> zullen zingen. Daar gekomen zullen zij volgens de gewone regels alles volbrengen? >> << Hunne Eminenties zullen dezelfde kledij dragen gedurende gans de tijd van de keuze >>. << Op bevel van Zijne Eminentie Kardinaal- deken >>. ( Francesco Riggi Protonotaris en pauselijke ceremoniemeester. >>) Het zou ons te ver brengen gans de ceremonie te beschrijven. Wij beperken ons met de bijzonderste feiten uit het Conklaaf hier weer te geven. De morgen van de eerste Augustus 1903, feest van Sint Pieters Banden, begaven allen zich naar de Sixtijnse Kapel, waar de keuze zou plaats vinden. Er waren 62 Kardinalen aanwezig. Twee Kardinalen slechts waren afwezig om het College der Kardinalen voltallig te Rome vergaderd te zien n.l. Kardinaal Moram, Aartsbisschop van Sydney in Australië en de Aartsbisschop van Palermo. De eerste was belet om reden van de té grote afstand en de andere was belet om reden van zijn hoge ouderdom. De grootste plechtigheid begon met het uitdrijven van allen, die niet tot de keuze waren toegelaten en dan werden drie leden van het heilig College gekozen om de stemmen te openen en te tellen. De deuren werden gesloten en bewaakt en er werd een paarse draperie neergelaten. Dan werden de stembrieven ingevuld en de ene Kardinaal na de andere begaf zich naar het altaar om daar zijn stem in een kelk neer te leggen. Bij de stemming van Zaterdag-avond had Kardinaal Sarto tien stemmen behaald. Dit was reeds vijf stemmen meer dan bij de eerste stemming van ‘s morgens. Toen een der Kardinalen dit aan Kardinaal Sarto deed opmerken was zijn antwoord ; << Ik hoop dat morgen niemand meer op mij zal denken. Vandaag zijn er enkelen geweest, die zich wat vergist hebben ; gij weet ook dat er mij niemand kent >>. De Zondag, 2 Augustus, werd het Konklaaf weer voortgezet. Het was een zeer bewogen dag voor de Kardinalen en het << veto >> van de Keizer van Oostenrijk tegen Kardinaal Rampolla had het heilig College diep getroffen. Bij de eerste stemming van Zondag was de Patriark van Venetië reeds gestegen tot een en twintig stemmen en ‘s avonds kwam hij aan vijf en twintig. Het was dan, dat zijn vrienden op hevige tegenstand begonnen te stuiten vanwege de nederige Kardinaal Sarto. Hij zei en herhaalde maar steeds ; << Ik ben onwaardig, ik ben onbekwaam! Vergeet mij dan toch >>. Zo kon men hem aantreffen op de treden van het altaar, biddend en wenend. Hij wilde openlijk protesteren dat hij nooit deze hoge plaats zou aanvaarden, maar zijn vrienden stonden er tegen op en zegden dat hij niet mocht weerstaan aan de wil van God, die zich zo duidelijk aftekende. Was zijn leven dan geen aaneenschakeling geweest van onderwerping aan Gods Wil?.... en zou hij nu tegenstribbelen?... << Keer terug naar Venetië, indien ge wilt, maar ge zult er terugkeren met een gewonde ziel, gekweld en onrustig tot het einde van uw leven >>, zei hem een der Kardinalen. Zijn antwoord was; << Ik meen dat ik deze zo zware verantwoordelijkheid niet kan dragen >>... Maar het antwoord was klaar en juist; dat het nog een grotere verantwoordelijkheid was dit te weigeren. Bleek, bevend, en schreiend leek de uitverkorene wel een lam dat ter slachting werd geleid en steeds herhaalde hij maar, << Ik ben onwaardig en vergeet mij dan toch....>>. Maar het was zijn grote nederigheid, die de bizondere aandacht van het Heilig College der Kardinalen trof. Bij de stemming van de Maandag - morgen stond Kardinaal Sarto aan het hoofd met zeven en twintig stemmen en ‘s avonds met vijf en dertig. Er waren er nog zeven te kort om het vreiste aantal te bekomen. Dinsdag 4 Augustus, feest van de heilige Dominicus, werd werd met spanning verwacht en door de meesten aanzien als de dag van de grote gebeurtenis. Ook de buitenwereld zag met spanning naar het schouwke, waaruit de rook moest opstijgen. Een nieuwe zitting begon en opnieuw legden de Kardinalen de eed af, die persoon te kiezen, die het waardigst deze verantwoordelijke taak en zending zou vervullen. allen brachten weer hun stem in de kelk op het altaar. Bij de opening der stembrieven weerklonk niet minder dan vijftig maal; << Ik kies tot Paus Zijne Eminentie Kardinaal Jozef Sarto >>.De Patriark van Venetië was verkozen, het was elf uur in de voormiddag. Dadelijk hierop kwamen al de Kardinalen rond de verkozene, die daar rechtstond en weende... De vraag werd hem gesteld of hij aanvaardde..? << Aanvaardt Gij de verkiezing tot Paus die zojuist werd voltrokken? >> Kardinaal Sarto, die immer gereed was om het offer te aanvaarden en te dragen, aarzelde nu even. Hij weende en het zweet brak hem uit op de wangen. Hij stond op het punt van onpasselijk te worden en te vallen. Ook de omstaande Kardinalen weenden van aandoening. Na enkele ogenblikken antwoordde hij snikkend met de woorden van Jezus in de Hof van Olijven; << Laat deze kelk aan mij voorbijgaan! Niet mijn wil echter, maar de uwe, mijn God, geschiede! << Dit was niet de juiste formule en de Kardinaal - deken werd een beetje ongeduldig en stelde de vraag opnieuw. Nu antwoordde Kardinaal Sarto officieel; << Ik aanvaard! >> maar hij voegde er bij << als kruis ..>>. En tot de Kardinalen, die het dichts bij hem stonden, zei hij; << Ik hoop dat ge mij dit kruis zult helpen dragen....>>. Toen stelde Kardinaal Oreglia hem de vraag; << Welke naam zult ge aannemen? >> Zijn antwoord was; << Vertrouwend op de hulp van de heilige Pausen, die de naam van Pius eer aan deden, door hun deugden, en die vooral in de laatste tijden van de geschiedenis der Kerk, de rechten der Kerk met zoveel moed hebben verdedigd, wil ik de naam van PIUS dragen. >> Het Konklaaf was hiermede ten einde. De H. Kerk had een nieuwe Paus in de persoon van Jozef Sarto, uit het eenvoudige dorpje Riese!

WIJ HEBBEN EEN PAUS!

Ja, alweer had de H. Geest Zijn werk gedaan en mocht de ganse Kerk en de wereld zich verheugen om deze grote genade! Na de keuze werd voor het College der Kardinalen een kort verslag voorgelezen en begaf de nieuw - gekozen Paus zich naar de sakristie om er het pauselijk gewaad aan te trekken. Bij elke nieuwe Pauskeuze worden er drie toga’ gereed gemaakt; een lange, een korte en een middelmatige. Voor paus Pius X was de middelmatige gemaakt en het was zijn trouwe Secretaris Monseigneur Bressan en zijn goede knecht; die de Paus mochten helpen bij het aankleden. De Paus begaf zich nu terug naar de Sixtijnse Kapel en nam plaats in een zetel op het altaar en al de Kardinalen kwamen één na één neerknielen en hun eerste officiëlle hulde aanbieden, terwijl ze de voet, de hand en wang van de Paus kusten. Gans ontroerd gaf hij allen << de vredekus >> weder. daarna werd door de Kardinaal - Kamerling de vissersring aan de vinger van de Paus gestoken. Terwijl al deze plechtigheden in de Sixtijnse Kapel gebeurden, was de oudste van de Kardinaal - Dekens, Zijne Eminentie Kardinaal Macchi, naar de St. Pieters Basiliek geleid, voorafgegaan door het pauselijk kruis, om vanuit de midden - loggia van de Basiliek aan de menigte -- op het groot plein verzameld -- het goed en groot nieuws aan te kondigen. Het was juist 11.45 uur toen de stem weerklonk ; << Ik meld u het goede nieuws ; wij hebben een Paus, in de persoon van Zijne Eminentie Kardinaal Sarto, die de naam van Pius X heeft aangenomen >>. een machtig orkaan scheen los te barsten en als uit één mond weerklonk; << Pius X! Leve Pius X! >> << Ook de klokken van Sint Pieter en spoedig al de klokken van Rome begonnen te luiden en brachten een ware feeststemming onder de mensen. Met duizenden begaven ze zich nu naar het Sint- Pietersplein en in de grote Basiliek. De nieuwe Paus wilde zijn kinderen niet laten wachten en begaf zich al dadelijk naar de << loggia >> in de Sint- Pieterskerk, vanwaar hij de menigte zijn eerste zegen gaf. Het was zijn eerste zegen << Urbi et Orbi >>. De Paus was zeer bewogen en ook vele aanwezigen hadden de tranen in de ogen. Toen het << Amen >> door de menigte gezongen was, weerklonk al spoedig de geestdrifttige << acclamatio >>; Evviva Pio Papa!, die honderden malen herhaald werd en waaraan geen einde scheen te komen. De Paus deed teken en vroeg om stilte en zegende langs alle zijden. Na deze aandoenlijke plechtigheid trok hij zich terug en zijn eerste bezoek dat hij bracht, was aan de zieke Kardinaal, die hem omhelsde en zijn zegen gaf. Hij voegde er bij: << Als eerste genade vraag ik aan Onze Lieve Heer uw genezing, opdat gij spoedig uw kerk en uw volk zoudt mogen terugzien en dienen...>> De Kardinaal was er ten zeerste van onder de indruk. De wens van de Paus was spoedig verwezenlijkt en de Kardinaal kon enkele dagen later terugkeren naar Valentië. Dezelfde avond van de keuze schreef hij eigenhandig een brief naar zijn Vicaris- generaal van Venetië. En Monseigneur Bressan had telegrafisch de twee zusters en de broer van Pius X, die met hem waren te Venetië, van de grote gebeurtenis verwittigd. De twee zusters waren er droef om en aanzagen dit feit als een ware katastroof. Zij bekommerden zich niet om de eer, maar dachten steeds aan hun goede broer, wie zo een zware taak op de schouders gelegd werd en wat zou er nu met hen gebeuren? << Wie weet hoe ook Pius X ‘s avonds in de stilte van zijn kamer zal geschreid hebben en gedacht hebben op zijn zusters en broer en op zijn goede mensen van Venetië. Hij liet zijn zusters nu naar ‘t Vatikaan komen, waar ze weer in alle eenvoud hun broer dienden tot het einde van zijn leven. De volgende dag was de Paus reeds vroeg op als naar gewoonte en na zijn H. Mis werd het een drukke dag van ontvangsten en plechtigheden. De plechtige Pauskroning had plaats op 9 Augustus.

DE PAUSKRONING.

Deze plechtigheid bestaat hoofdzakelijk in het overreiken van de << Tiara >>, die uitsluitend aan de Paus is voorbehouden. Deze Tiara is een soort ronde mijter met drie kronen op. Aan deze kronen worden meerdere zinnebeelden vastgeknoopt zo b. v

. b. de drie kerken; strijdende, lijdende en zegepralende kerk. Ook de drie zendingen; leraar, priester en herder. Hoogstwaarschijnlijk ligt ligt de ware zin in de betekenis van Koningskroon, Dokterskroon ( wijsheid ) , en Pauskroon. Wat er ook van zij, de Tiara is een symbool van de volmacht, die de Paus draagt in de Kerk als opvolger van de H. Petrus. Het was een prachtige dag en heel Rome was van de vroege morgen op de been. Ook uit alle hoekjes van Italië waren de mensen toegestroomd om deel te nemen aan deze grootse plechtigheid. De plechtigheid begon reeds te acht uur dertig ‘s morgens. Zijn familieleden waren ook tegenwoordig. Bekleed met de pauselijke gewaden nam hij plaats op de << sedia gestatoria >> -- draagstoel -- om gedragen te worden naar zijn troon in de St.- Pieterskerk. Bij de intrede werd << Tu es Petrus >> gezongen. Bij het voorbijtrekken van de Sacramentskapel werd even halt gehouden en ging de Paus neerknielen voor het uitgestelde Sacrament. Daarna ging de stoet verder naar de Kapel van de H. Gregorius, waar de Paus plaats nam op de troon. Hier werd hij aangekleed om de H. Mis te celebreren aan het pauselijk altaar. Na de H. Mis had de kroning plaats in de middenbeuk van de kerk voor het altaar van de << Confessio >>. Kardinaal Macchi plaatste de Tiara op het hoofd van de Paus en sprak; << Ontvang deze Tiara met de drie kronen. Gij zijt de Vader der prinsen en der koningen, de bestuurder en leider, de plaatsvervanger van Jezus Christus op aarde, aan wie alle eer en glorie in alle eeuwigheid. Amen >>. Het was alsof alle aanwezigen verstijfd waren bij deze plechtigheid, zo indrukwekkend was het. De geestdrift van de gelovige massa laaide weer op na de zegen van de gekroonde Paus. Nu ving de stoet terug aan door de grote Basiliek en overal klonken heilkreten en toejuichingen. Pius X trok zich terug en bleef lange tijd in aanbidding en gebed verzonken. Hij vroeg God om sterkte en zegen voor zijn werk en voor de H. Kerk.

HET LEVEN IN HET VATIKAAN.

Het Vatikaan is het eeuwenoude verblijf van de Pausen en in deze zou nu voortaan Pius X leven en werken. De private bibliotheek zou dienen als zijn werkkamer. et is een grote zaal van vijftien meter en half op elf meter breed. De vensters nemen hun licht op het Sint- Pietersplein. Hier bracht hij het grootste deel van zijn dagen door, hier werkte hij aan zijn goddelijk werk, het goed van de ganse H. Kerk. Hier ontving hij allen, die in eenvoud zijn vrienden konden genoemd worden. Als zetel had hij een gewone houten stoel; voor hem stond een zeer eenvoudig bureel. Hij hield niet van overdreven praal en hier was hij heer en meester, zodat de eenvoud en soberheid de zeer uitgesproken sieraden zijner omgeving uitmaakten. Als Paus zowel als toen hij onderpastoor, pastoor of kardinaal was, stond hij ‘s zomers elke morgen te vijf uur op; een half uur later in de winter. Naast zijn verblijf was de kapel, waar hij zijn H. mis opdroeg en dikwijls ging neerknielen in de loop van de dag. Na zijn H. Mis hoorde hij altijd nog een H. Mis bij, terwijl hij ook zijn dankzegging deed. Al de werken volgde hij immer van dichtbij en ontzag zich niet zelf de handen uit de mouwen te steken en op brieven te antwoordden. Pius X verdroeg geen nalatigheid of gemis aan orde. Hij hield van regelmaat en stiptheid. Zijn audiënties waren ook altijd stipt en hij hield ze met liefde. Voor eenieder wist hij de gepaste woorden te vinden en de harten gingen dan ook dadelijk open. Een Frans schrijver en oud-minister verhaalt ; << Na enkele ogenblikken begon ik met hem te spreken als met een oude vriend; terzelfder tijd zijn waardigheid behoudend, toonde hij zich met mij zeer lief. Het is onmogelijk hem te naderen zonder tot hem getrokken te worden en van hem te houden. Hij heeft ook een heldere geest en luistert naar wat hem wordt gezegd, herhaalt in zeer korte bewoording wat men heeft gezegd en gaat recht naar de oplossing in enkele woorden geformuleerd. >> Pius X eindigde steeds de audiënties te één uur om dan zijn sober middagmaal te gaan gebruiken. Te twee uur ging hij naar zijn kamer om er wat te rusten en te bidden. Rond vier uur ontving hij zeer dikwijls de groepen, die uit Italië of andere landen naar Rome gekomen waren om de Paus eens te zien. Na deze ontvangsten deed hij een wandeling of hield zich bezig met een of ander werk, dat verandering of herstel moest ondergaan. Na het avondmaal begaf hij zich regelmatig naar de Kapel om er zijn rozenhoedje te bidden samen met de dienstdoende kapelaan. Daarna begaf hij zich weer naar zijn werkkamer om er zich onledig te houden tot elf uur.

DE PAUS VAN DE EUCHARISTIE.

De Paus had reeds gewezen op de gevaren van het modernisme en zag ook de grote schade, die het Jansenisme steeds berokkende in de Kerk. Hij kon het niet langer aanzien en op 20 December 1905 verscheen het dekreet over de << dagelijkse Communie >>. Weg met de gedachte dat de Communie slechts door << heiligen >> mag ontvangen worden. Weg met de ketterij van Jansenius dat wij niet << waardig >> zijn om te communie te gaan. Christus zelf heeft gezegd; << Neemt en eet, dit is Mijn Lichaam... Komt allen tot Mij, die belast en beladen zijt en Ik zal u verkwikken...>>. Christus vergeleek de Communie met het manna, dat uit de hemel viel. Uit deze vergelijking der engelenspijze met brood en manna, kon door de leerlingen gemakkelijk worden opgemaakt, dat evenals met brood dagelijks het lichaam gevoed wordt en met manna in de woestijn de Joden dagelijks werden gespijzigd, aldus ook de christenziel dagelijks met het Hemelbrood gesterkt en verkwikt kan worden. << Dit verlangen -- zo gaat de Paus verder in zijn decreet -- van Jezus Christus en van de Kerk, dat de gelovige christen dagelijks tot het heilige Gastmaal nadere, is vooral hierop gericht; opdat de gelovigen, door het Sacrament met God verenigd, daarvan sterkte mogen erlangen, om de begeerlijkheid te bedwingen, om dagelijks voorkomende lichte fouten uit te wissen, en om zwaardere zonden, waaraan ‘s mensen zwakheid is blootgesteld, te verhoeden; niet echter op de eerste plaats opdat Onze Heer passende hulde en eerbetuiging worde bezorgd, noch ook opdat het Sacrament hun, die het nuttigen, tot een beloning en vergelding strekke voor hun deugden. Vandaar dat de Kerkvergadering van Trente het allerheiligste Sacrament noemt een tegengift om ons van dagelijkse zonden te bevrijden en voor doodzonden te behoeden >>. Met de uitvaardiging van dit dekreet werd een einde gesteld aan de vele twisten betreffende het veelvuldig gebruik van de H. Eucharistie. Rome had gesproken! Toch legde iedereen er zich zo maar niet bij neer en nu nog moet er gestreden worden tegen deze zo verderfelijke jansenistische geest. Zovele jaren zijn er overheen gegaan -- een-en-vijftig jaren -- en hoever staan wij nog van de dagelijkse Communie! En zij, die gevolg gegeven hebben aan de oproep van de heilige Paus, hebben er de overvloedige genaden van geplukt. De dagelijkse Communie is de redplank geworden voor vele strijders, die moeten werken midden de gevaren en de verlokkingen van de wereld. De dagelijkse Communie heeft vele zielen warm gemaakt voor Christus en geleid tot de volle gave van zichzelf als priester of kloosterling. De dagelijkse Communie heeft martelaren gekweekt en heiligen! Danken wij Pius X voor deze grote weldaad en maken wij er in de toekomst nog meer gebruik van. Een tweede en nog meer gedurfde stap zette de heilige Paus met het uitvaardigen van zijn dekreet over de vroegtijdige Communie op 8

Augustus 1910. Hij, die zo verlangd had als misdienaar Jezus te mogen ontvangen, dacht nu ook op de kleintjes, die verstoken bleven van de grote genade. Hij kon niet ongevoelig blijven aan de smeekbede en het verlangen van Jezus en zijn lievelingen. Ja, had de Meester niet gezegd; << Laat de kleinen tot Mij komen... houdt ze niet tegen..>>. Pius X hernam dan ook Jezus’ woorden en sprak; << Laat ook de kleinen cummuniceren! >>. De wereld met zijn verkeerde gedachten werd er door geschokt en de grofste uitlatingen bleven de heilige kindervriend niet gespaard. Maar dit alles kon de Paus niet beletten zijn lievelingen naar Jezus te brengen, overtuigd als Hij was, dat er nu << heiligen >> onder de kinderen zouden opstaan. Spoedig werden er nu ook bonden opgericht om de veelvuldige en vroegtijdige Communie der kinderen te bevorderen en de Paus was er blij om. De Eucharistische Kruistocht werd ook spoedig gesticht in Frankrijk en in België en overal stonden er apostelen op om de Communie der kinderen te bevorderen. Zo kregen wij een Pater Lintelo en een Priester Poppe. Zo kende de E. K. in België een buitengewone bloei en waren er spoedig meer dan 100.000 leden aangesloten. In de lente van 1912 zond Frankrijk een afvaardiging van vierhonderd kinderen, die hun eerste Communie gedaan hadden, naar Rome om er Pius X te danken. Zij hadden een album bij met 135.330 namen van kinderen, die uit dankbaarheid voor de Paus hun Communie hadden opgedragen. De kinderen werden in audiëntie ontvangen in de Sixtijnse kapel en een der kinderen hield een korte toespraak voor de Paus om hem te bedanken dat zij nu, zo jong nog, mochten te Communie gaan. Een meisje deed hetzelfde in naam van haar gezelinnen en allen kregen de zegen van de Paus en ook dezen, die niet het geluk hadden om mee naar Rome te komen, werden niet vergeten. Elk kind kreeg dan een gedachtenis van de Paus en in ‘t Frans richtte Hij zich dan tot hen; eenvoudig, gemoedelijk en gans vaderlijk was zijn taal! Hoe ontroerend waren deze ogenblikken! Enkele dagen later kwam een moeder met haar kind naar ‘t Vatikaan en werd bij de Paus toegelaten. Het kind was vier jaar oud. Na het onderhoud met de moeder richtte de Paus zich tot het kind en vroeg; << weet gij wie ge in de Heilige Communie ontvangt?...>> Het antwoord was klaar en duidelijk; << Jezus!...>> << En wie is Jezus?..>> << Jezus is God...>> De paus was er zo door ontroerd dat hij zei; << Kom morgen met het kind, ikzelf zal het de H. Communie geven >>. Laten we O. L. Heer danken voor deze grote Paus en bidden wij dat, nu wij Pius X mogen aanroepen als gelukzalige, er vele kinderen werkelijk << communiehonger >> krijgen en dagelijks communiceren. Werken wij voor de E. K. - beweging, die de communiedecreten van Paus X wil doorvoeren en wezen wij zelf vurig Kruistochters, die veelvuldig, goed verzorgd en welbenut communiceren!

HET HEENGAAN VAN EEN HEILIGE.

Heel het leven van Paus Pius X was werkelijk schoon en gevuld. Hij heeft zichzelf nooit gespaard en was voor ieder, die hem benaderde een goede Vader. Zijn heengaan uit dit tranendal gebeurde in droeve omstandigheden, die zeker zijn dood hebben verhaast. Met zijn helderziende geest voorzag hij de wereldoorlog van 1914. Alles had hij reeds in ‘t werk gesteld om deze te voorkomen, maar zijn pogen was vruchteloos. Zijn ziekte scheen bij de aanvang niet zorgwekkend, maar op 18 Augustus verergerde zijn toestand zodanig, dat het ergste kon gevreesd worden. Te 8 uur ‘s morgens kreeg de H. Vader een nieuwe krisis. De dokters waren spoedig ter plaatse en stelden alles in ‘t werk. Het onmiddelijk gevaar was weer voorbij, maar voor niet lang, want in de nacht van 19 op 20 Augustus gaf Hij zijn reine ziel in de handen van Zijn Schepper terug, na de laatste Sacramenten ontvangen te hebben uit de handen van Monseigneur Zampini. Een nederige en heilige Paus ging heen zoals hij geleefd had. Hij was zelfs zo arm dat hij voor zijn goede zusters niets kon overlaten. Zij, die hem heel zijn leven zo trouw en goed gediend hadden bezaten niets. Pius X vroeg in een testament, dat zijn opvolger zou willen zorgen voor een klein pensioen van driehonderd lire per maand. Op de begrafenis waren vele duizenden vrienden aanwezig en iedereen betreurde het heengaan van deze heilige Vader, die zij vereerden als een heilige. Met zijn proces voor de zaligverklaring werd dan ook spoedig aangevangen en vele wonderbare genezingen werden aan hem toegeschreven. Op een steen waarop de overblijfselen werden bijgezet staat gebijteld; Paus Pius X arm en rijk zacht en nederig van hart machtige verdediger der katholieke zaak terwijl hij zich gaf om alles te herstellen in Christus godvruchtig overleden op 20 Augustus in het jaar van Onze Heer 1914. Acht maanden na de dood van de Paus gebeurde het, dat een klein driejarig kind van een spoorbeambte te Rome de wonderbare hulp van Pius X mocht ondervinden. De vader van het kind was een zekere Alberico Valentini en zijn vrouw Margareta Domini. De naam van het kind was Josephine. De familie woonde zoals gezegd te Rome en wel 24, Via Ariosto. De kleine, gezond en vrolijk, was het zonnetje in huis. Op 15 April 1915 werd het kind plotseling ziek door een verlamming. Het verkeerde werkelijk in levensgevaar. De temperatuur was zeer laag, ofschoon flessen met heet water in ‘t bedje gelegd werden om de kleine warm te houden. Om 5 uur in de namiddag gaf men haar vijf inspuitingen, die evenwel zonder resultaat bleven. De morgen van de 16e was Josephine stervend en de dokter had het opgegeven. De moeder was troosteloos. Overtuigd dat menselijke hulp niet meer helpen kon, zocht ze haar troost in de voorspraak van Pius X. Zij bad tot God, dat hij op voorspraak van deze heilige ziel, haar lief kind het leven zou redden. Indien haar bede verhoord werd, zou ze het kind naar het fraf van Pius X brengen en daar een heilige Mis laten opdragen. ‘t Was juist half acht ‘s avonds, toen de moeder haar gebed en haar belofte had gedaan. Opeens bemerkte zij hoe het tot nu toe hulpeloos neerliggend lichaam van het kind zich uitrekte, en het kind in slaap viel. Om half elf kwam vader van zijn werk thuis. Hij was sprakeloos van verbazing, toen hij deze plotse verbetering opmerkte. Toen de kleine wakker werd, vroeg zij om licht te maken in het donkere vertrek. De volgende dag speelde zij in haar bedje met haar speelgoed. Drie dagen later verliet Josephine haar bed en was volmaakt gezond. In het hospitaal te Anagni lag een Zuster van Liefde zwaar ziek te bed. Zij was ziek geworden op 19 Augustus 1918 en heette Euphrasia Natali. De dokters stelden vast abdominale koliek appendicitis en peritonitis. De zieke lag op 23 Augustus op sterven. De dokter stelde nog een operatie voor, maar vreesde dat elk ingrijpen tevergeefs zou zijn. de Eerwaarde Moeder stemde toe maar sprak tot de zieke; << Mijn kind gij hebt u gewend tot alle heiligen, bid nu ook eens vertrouwvol tot de heilige Paus Pius X en leg deze relikwie op uw ziek lichaam >>. De arme zieke kon ternauwerdood een Onze - Vader stamelen en vroeg, dat men de relikwie op haar lichaam zou leggen. Nauwelijks was dit gebeurd of zij viel in een zware slaap. Zij had sinds meerdere dagen geen oog meer dicht gedaan en sliep nu rustig meerdere uren. Zij ontwaakte, voelde zich verfrist, goed en gezond. Haar eerste woorden waren ; << Ik ben genezen!!! Pius X, heeft wonderen aan mij gedaan! >> << De Overste en de Zusters dachten eerst dat de zieke Zuster ijlde, maar weldra konden ze zich overtuigen van de waarheid. Zij begon te eten en voelde zich oprecht goed en genezen. Toen de dokter ‘s middags te 3 uur kwam om de operatie te doen, was hij sprakeloos bij hetgeen hij zag. Hij aarzelde dan ook niet om dit als een klaarblijkelijk wonder te erkennen. De patiente leeft nog, is volkomen gezond en staat dagelijks vroeg op. Haar algemene gezondheidstoestand is goed, de genezing duurzaam. Dit wonderbare feit werd grondig onderzocht bij het proces over de mirakelen, geklasseerd en gehouden.

DE ZALIGVERKLARING.

Lang werd ze verwacht, vurig werd ze betracht! Groten en kleinen, eenvoudigen van hart hadden de hemel gebeden voor de zaligverklaring van deze ingoede en heilige Vader. Verhoringen en wonderen vermenigvuldigden zich en trokken meer en meer de aandacht op deze grote Paus, die zijn weldoende zending voortzette in de hemel. Het was dan ook met een ware vreugde dat de datum vernomen werd. 3 Juni 1951 zou een feestdag worden voor de ganse Kerk. Honderdduizenden pelgrims lieten zich melden en werdra bleek de grote Sint-Pieterskerk te klein te zijn om al de vrienden van de grote Paus te omvatten. Er werd dan besloten de voormiddagplechtigheid te laten doorgaan in de Sint Pietersbasiliek en de namiddagplechtigheid op het groot Sint Pietersplein. Ook de Eucharistische Kruistocht Pius X wilde met een afvaardiging deelnemen aan de verheerlijking van zijn Patroon. Met een goede zeventig personen werd de Rome-reis ondernomen in drie groepen; een groep van 30 in autocar en een groep van 28 per vliegtuig, de anderen deden de reis per trein. Onder de bedevaarders per vliegtuig bevond zich ook Zijne Excellentie Minister De Boodt, die door Zijn Heiligheid de Paus op Maandag 4 Juni in een particuliere en speciale audiëntie werd ontvangen. De Heilige Vader drukte aan de Minister zijn tevredenheid uit over het feit dat er met hem zoveel Belgen naar de Zaligverklaring gekomen waren. Hij vroeg ook of ze tevreden waren en alles goed gezien hadden. Voor alle bedevaarders, die met de Minister meegekomen waren, schonk de Paus zijn vaderlijke zegen. De andere groep werd in audiëntie ontvangen op Woensdag 6 Juni. Uit alle werelddelen en vele landen waren er mensen naar Rome gekomen om deel te nemen aan deze grootse plechtigheid. Italië zelf was er zeer talrijk vertegenwoordigd. De steden, waar Pius X gewerkt had, hadden er aan gehouden bijzonder talrijk op te komen. Zo waren er zeer sterke groepen aanwezig uit Venetië, Treviso, Padua en Mantua om hulde te brengen aan hun goede Vader en Herder. Van in de vroege morgenuren trokken de mensen reeds naar de St. Pieter om er een goede plaats te veroveren. Wanneer het rond tien uur liep, wans gans de Basiliek gevuld. Tijdens al deze wachturen werd er gezongen en gebeden. Sommige mensen vertelden elkaar over deze goede Paus. Zo zat ik bij een priester, die vertelde dat hij door de voorspraak van Paus Pius X genezen was. Op de plechtigheid was ook de Eerwaarde Zuster aanwezig die door Pius X op miraculeuze wijze genezen werd. Op een der doeken die de mirakelen voorstellen, komt deze Zuster voor. Kwart voor 10 werd door de micro het programma afgekondigd van de voormiddagplechtigheid en werd er gevraagd samen het << Salve Regina >> te zingen. Deze zang bracht de juiste stemming teweeg, die bij zo een plechtigheid past. Allen voelden zich één en sterk rond Petrus’ Stoel. De gemeenschap der heiligen kreeg een vastere vorm rond een heilige, die daar midden ons rustte. Te 10 uur begonnen de klokken te luiden en zette een stoet zich in beweging in de richting van de << Confessio >> en verder tot het hoofdaltaar. Eerst zagen we de Zwitserse wacht, het Kruis, het Kapittel van St. Pieter en meerdere Kardinalen. Met mijter en kap bekleed volgde ook Zijne Eminentie Kardinaal Tedeschini, Aartspriester, die de plechtigheid voorzat en de H. Mis zong bijgestaan door Monseigneur Nardone, Monseigneur Rossi als Diaken en Monseigneur Hemmick als Subdiaken. Wanneer de Kardinaal aan de troon gekomen was, ving de plechtige zaligverklaring aan met de lezing van de Apostolische Breve, voorgedragen door Monseigneur Ferdinando Prosperini, Secretaris van het Vatikaans Kapittel. Het officieel document begon met de woorden; << Quoniam Christus Dilexit Ecclesiam... Omdat Christus Zijn Kerk bemind heeft..>> Toen deze plechtige proclamatie gedaan was, werd het doek boven het hoogaltaar weggeschoven en verscheen daar het portret van de zaligverklaarde Pius X in de << glorie van Bernini >>. Op hetzelfde ogenblik werd ook het doek weggenomen, dat geplaatst was over het praalgraf van Pius X, dat vlak bij de << Confessio >> was opgesteld. De duizenden lampen werden aangestoken en gans de Basiliek werd herschapen in een zee van licht. Men zou zich wel in de hemel wanen. Het was een zeer indrukwekkend moment toen de aanwezigen daar plots voor zich het lichaam van d Zalige Pius X zagen in dit prachtig schrijn, mooi verlicht en met bloemen versierd. Gans het lichaam is goed bewaard en de Paus ligt daar zeer rustig in zijn pauselijk gewaad en met rode stool. Ja, nu mocht een << Te Deum >> ingezet en mee uitgezongen en uitgejubeld door de duizenden en duizenden vrienden van de gelukzalige, in de Basiliek aanwezig om O. L. Heer te bedanken. Na het << Te Deum >> werd de nieuwe gelukzalige aanroepen en steeg een gebed op tot Hem, die eens hier op aarde de grote middelaar was tussen God en de mensen. Het stoffelijk overschot werd vereerd en bewierookt door Kardinaal Tedeschini, die daarna dadelijk de H. Mis begon. Bij het offertorium werd de zang ; << Laudate Dominum >> van Palestrina uitgevoerd. Deze plechtigheid was heerlijk en het is niet mogelijk onze gevoelens onder woorden te brengen. Wij en ook alle aanwezigen hebben tijdens deze H. Mis vurig gebeden tot de nieuwe gelukzalige; voor de uitbreiding van Christus’ Rijk, voor de zegen over Paus en Kerk, voor de toepassing van Zijn Communiedecreten, voor het bekomen van de vrede onder alle volkeren! Zalige Pius X. De namiddagplechtigheid had plaats op het groot Sint Pietersplein, in aanwezigheid van O. H. Vader de Paus. Voor de grote ingangsdeur was een altaar opgesteld, waarboven een groot schilderij van de zaligverklaarde was aangebracht. Boven het altaar was de prachtige << Sarcofage >> geplaatst en voor het altaar een bidstoel waar dadelijk de Paus de zalige zou komen vereren. Rond het altaar hadden meer dan 250 Bisschoppen plaats genomen en een 20 Kardinalen kwamen met de H. Vader vanuit het Vatikaan naar het altaar toe. te 6.30 u. stipt weerklo,ken de bazuinen en speelde de muziek. De Paus verscheen uit de bronzen poort, gezeten op de Sedia. Er steeg een geestdriftig applaus en gejuich op uit de duizenden en duizendkoppige menigte; << Viva il Papa... Leve de Paus!... >> De Paus groette vriendelijk de menigte en zag er uiterst voldaan uit, omdat Zijn kinderen zo talrijk naar Rome gekomen waren om hulde te brengen aan deze grote en schone figuur die Pius X was. Voor het altaar aangekomen, daalde de Paus uit zijn zetel neer en ging plaats nemen op de bidstoel voor het altaar, waar hij de zalige vereerde. Na de verering richtte de Paus zich tot de menigte op het Sint Pietersplein en sprak een prachtige hulde uit aan het adres van de nieuwe gelukzalige. De Heilige Vader sprak zijn vreugde uit en deze van de ganse katholieke wereld, om de grote genade, dat het van op heden mogelijk was, Pius X te vereren, in al de glorie van zijn heiligheid. Het is een feestdag, zei de Paus, en sedert meer dan twee eeuwen is er geen enkele dag geweest, die kan vergeleken worden met de heerlijkheid van deze van vandaag. Nooit zijn naar de troon van de H. Petrus met meer eendracht hymnen opgestegen van hen, die deze troon beschouwen als de rots, waarop hun geloof is gebouwd, en als de lichtbaken, die hun onverwoeste hoop voedt, dan op deze plechtige dag. De Paus verheerlijkte vervolgens de grote deugden van Pius X. Zijn geloof kon bergen verzetten, zijn hoop was onverwoestbaar, zelfs in de somberste en onzekerste uren. Zijn liefdadigheid dreef hem er toe, zich te wijden aan alle offers in de dienst van God en voor het heil van de zielen. Onze stem beeft, zegde de Paus, om de lof te bezingen van deze Priester, Bisschop en Paus. Pius XII belichtte vervolgens in grote trekken het reuzewerk van zijn voorganger. Hij oefende zijn pauselijk gezag uit, zowel op wetenschappelijk, wijsgerig en theologisch gebied als op gebied van de heilige kunst, de catechismus en de lekenactie, de leiding van de kerkelijke hiërarchie. De H. Vader voegde er aan toe: door zijn persoon en zijn werk heeft God de Kerk willen voorbereiden voor de nieuwe, lastige taken, die de rampspoedige toekomst haar voorbehielden. Zo de Kerk thans, verre van te wijken voor de krachten, die de geestelijke waarden vernietigen, lijdt en strijdt en met de goddelijke hulp vorderingen maakt, dan is zulks in ruime mate te danken aan de helderziende actie en aan de heiligheid van Pius X. Hij was de Paus van de Eucharistie voor onze tijden. Hier weer zien wij hoe zijn gevoelens eensgezind waren met de gevoelens van Christus zelf. Moesten wij hierover zwijgen dan zou de schare van kinderen zich verheffen om << Hosanna >> te roepen voor hem, die hun toeliet tot de Vriend van de Tabernakelen. De Paus wekte allen op tot de dagelijkse, goedverzorgende Communie en besloot met een gebed tot de nieuwe gelukzalige. << O zalige Hogepriester, trouwe dienaar van de Heer, nederige en liefdevolle leerling van de goddelijke Meester, die in driefheid en in blijdschap in beslommeringen en kommer steeds ons voorbeeld zijt geweest. Ondervindingrijke Herder van Christus’ kudde, keer uw blik naar ons toe, die hier neerknielen voor uw maagdelijke relikwieën. Lastig zijn de tijden, die wij beleven; zwaar de vermoeienissen die wij doorstaan. De Bruid van Christus, die eenmaal aan U was toevertrouwd, bevindt zich opnieuw in zware beklemming. Haar zonen worden bedreigd door ontelbare gevaren naar ziel en lichaam. De geest van de wereld loopt rond als een briesende leeuw en ziet wij hij kan verslinden. Velen vallen als slachtoffers van deze geest. Zij hebben ogen en zien niet; oren en horen niet. Zij sluiten de ogen voor het licht van de eeuwige waarheid; zij aanhoren de stemmen van de sirenen, die bedrieglijke boodschappen rondseinen. Gij, die hier beneden de grote bezieler en leider waart van Gods volk, wees onze helper en onze voorspreker en ook van al diegenen, die Christus willen volgen. Gij, wiens hart ineenkromp, toen ge zaagt hoe de wereld zich stortte in de bloedige strijd, help de mensheid, sta de christenheid bij, die thans aan soortgelijke gevaren blootgesteld is. Bekom van de Goddelijke Barmhartigheid de gave van een duurzame vrede, en als weg daarheen, bekom de terugkeer van alle mensen naar die geest van broederlijkheid, die alleen in staat is om tussen de mensen en de naties rechtvaardigheid te doen heersen en ook de eensgezindheid, die door God gewijd is. Zo weze het. >> Na de toespraak werd de Paus langdurig toegejuicht door de 600.000 mensen, die op het groot Sint Pietersplein hadden plaats genomen. Deze dag deed ons nog eens denken aan de heerlijke dagen van de heiligverklaring van Maria Goretti en de onvergetelijke plechtigheid der dogmaverklaring van O. L. Vrouw Hemelvaart. Dadelijk hierna ving het Lof aan. De H. Vader bewierookte het Allerheiligste en bleef daarna in aanbidding neergeknield zitten, terwijl koorzangen werden uitgevoerd. Het was de Patriark van Lissabon die de Eucharistische zegen gaf. Vervolgens overhandigden de leden van de postulatiecommissie aan Zijne Heiligheid de traditionele geschenken, waaronder het reliquiarium. Daarna nam de Heilige Vader weer plaats op de Sedia om onder het geestdriftig gejuich van de menigte het voorplein te verlaten. Enkele tijd later verscheen hij nog aan zijn venster en zegende de pelgrims, die op het Sint Pietersplein stonden.

EINDE.