언어
클릭 수
1천
Pastoor Geudens

Don Guido Bortoluzzi

“De theologie leert dat God die alles ‘goed’ maakt, het eerste menselijke paar ‘zeer goed’ maakte, en dat niet volgens de manier van een dierlijke staat waaruit het in de loop van duizenden jaren en ten koste van onnoemelijk lijden zou zijn geëvolueerd. De ‘Mens’ (Adam) kon dus niet de vrucht zijn van een evolutie, want in dat geval zou de mensheid in haar oorspronkelijke staat niet iets ‘zeer goeds’ zijn geweest. Het is duidelijk dat als de door God geschapen ‘Mens’ een volmaakt wezen was, terwijl anderzijds de archeologische ontdekkingen tonen dat de mens van de prehistorie een onvolmaakt wezen was, het de erfzonde is geweest die hem in al zijn aspecten heeft ontaard tot zelfs het aannemen van de uiterlijke kenmerken van mensachtigen (zoals Kaïn door don Guido werd gezien). Indien de ‘Mens’ in lichaam en ziel verdorven raakte, dus niet alleen in de geest, is het logisch dat de erfzonde een zonde is geweest van kruisbevruchting, wat te wijten valt aan een (bepaalde verboden) gemeenschap buiten de (Adamitische) soort”.
(Hubert Luns, Opheldering t.a.v. Oorsprong van de Mens volgens Don Guido Bortoluzzi, 3e Ed, www.scribd.com/…/Opheldering-t-a… , blz. 5).

Ophelderingen bij de duistere gedeelten van de Genesis
Deze openbaring heeft tot doel de duistere plaatsen van de Genesis op te helderen met wetenschappelijke argumenten die toegankelijk zijn voor allen. De Heer eist voor Zich elke scheppingsdaad op en legt ons de modaliteiten uit waarmee Hij rechtstreeks tussengekomen is, hetzij bij de schepping van de Mens, hetzij voor gelijk welke andere soort.
Samengevat zegt God dat elke schepping van een nieuwe soort altijd vertrokken is van een kiem en dat er nooit een plant of dier geschapen is in een fase van ontwikkeling of als bij toverslag. Dit beginsel van elke schepping is zowel geldig voor het heelal als voor het leven.
Hij legt ons niet uit hoe Hij het leven geschapen heeft bij zijn ontstaan, maar door te tonen hoe Hij handelde om de eerste Man en de eerste Vrouw te scheppen, suggereert Hij om dit beginsel uit te breiden tot de schepping van alle andere soorten.
Ook de eerste Man en de eerste Vrouw werden niet geschapen als volwassenen zoals de fundamentalistische creationisten zouden willen doen geloven, noch in een staat van evolutie zoals de evolutionisten beweren, maar ze werden geschapen in hun eerste kiem met absolute volmaaktheid.

Waar had dat embryonale leven zich beter kunnen ontwikkelen tenzij in de schoot van een wijfje dat reeds behoorde tot een bestaande soort? Voor dit doel bediende de Heer zich als middel, voor de schepping van de Man en de Vrouw, van een wijfje van een nu uitgestorven soort. Daarom werd deze handelwijze middellijke schepping genoemd. God heeft als middel of onderbouw datgene gebruikt dat reeds geschapen was. Deze regel werd reeds eerder gebruikt voor de schepping van gelijk welke andere nieuwe soort. Het enige maar uiterst belangrijke verschil was, dat in de schepping van de Man en de Vrouw, God vanaf het eerste ogenblik van hun ontvangenis, een nieuw element toevoegde, Zijn Geest, zodat het Zijn geestelijke Kinderen werden.
Bijgevolg de Mens komt voort maar stamt niet af van de onmiddellijke lagere soort. In alles en voor alles is hij een nieuw schepsel, daar er nooit een gen van de lagere soort naar de hogere doorgegeven werd. Alleen het voedsel werd doorgegeven. (Dit neemt niet weg dat wellicht om afstotingsproblemen te vermijden, beide soorten geschapen werden met talrijke gelijke genen). De Heer zegt bovendien dat Hij voor elke soort een enkel stampaar schiep, mannetje en wijfje, beiden met de kenmerken van een bepaalde soort. Het was de overweldigende hoeveelheid soorten in stijgende ontwikkeling en met een steeds grotere volmaaktheid, die de evolutionisten in dwaling bracht, zodat zij er uit besloten dat er een spontaan evolutieproces bezig was.

De Heer laat zien hoe de menselijke soort, die volmaakt geschapen was, bezoedeld werd door een daad van verbastering, die begaan werd vanaf het eerste geslacht met de soort waaruit hij voortgekomen was. Een verbastering die de daaropvolgende geslachten benadeelde.

Hubert Luns: “Een opmerkelijk geval van verbastering van de soort wordt in Genesis 6 aangeroerd, waar het aan de genealogische levensboom, die van de “kinderen van God”, verboden was kennis te hebben, dat wil zeggen een vrucht voortbrengende gemeenschap, met (de nakomelingen van) de wilde genealogische boom. In dat hoofdstuk is sprake van de (voortzettende) noodlottige vereniging - waardoor beide soorten (steeds verder) verdorven raakten tussen “de kinderen van God” en “de dochters van de mensen”, ofwel de volmaakte mensen en de dochters van de hybriden of bastaards”.
(Hubert Luns, idem, blz. 5)

In deze ongehoorzaamheid, die naar waarheid een zonde was van uiterste aanmatiging en zelfgenoegzaamheid, bestaat de erfzonde.

HIER LESEN: geudens.wordpress.com

댓글 쓰기…