Vraag de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, en ook je Moeder Maria, dat ze je helpen jezelf te kennen en al deze lage dingen van je te betreuren die - helaas - zoveel sporen in je achterlieten... Zeg Hem ook, zonder de ogen voor je eigen ellende te sluiten: geef mij, Jezus, een liefde als een louterend vuur, waarin mijn arme vlees, mijn arme hart, mijn arme ziel en mijn arme lichaam worden verteerd en gezuiverd van alle aardse ellende... En als mijn eigen ik dan helemaal 'leeg' is, vul het dan met U, zodat ik me nooit hecht aan iets van hier beneden, maar alleen door uw liefde gedragen word. (De Smidse, 41)
De Heer luistert naar ons, Hij wil ingrijpen, zich met ons leven bemoeien, ons van het kwade bevrijden en met het goede vervullen: eripiam eum et glorificabo eum (Ps. 90, 15 [Introïtus van de Mis]). Ik zal hem vrij maken en hem verheerlijken, zegt Hij van de mens. Hoop op verheerlijking dus: opnieuw staan wij hier, als zo vaak, aan het begin van de innerlijke weg die geestelijk leven heet. De hoop op die verheerlijking versterkt ons geloof en laat onze liefde ontgloeien. Op deze manier komen de drie goddelijke deugden tot leven die ons doen lijken op God onze Vader. (...)
Het is niet mogelijk stil te blijven staan. We moeten vooruit gaan naar het doel dat Sint Paulus ons aangaf: niet ik leef, maar Christus is het die leeft in mij (Gal. 2, 20). Het streven is verheven en zeer edel, te weten gelijkvormig aan Christus, heilig worden. Maar een andere weg bestaat er niet, als men tenminste consequent wil zijn ten opzichte van het goddelijk leven dat God in onze zielen door het doopsel heeft doen ontstaan. Vooruitgang is groeien in heiligheid; achteruitgang daarentegen is het verzet tegen de normale ontwikkeling van het christelijk leven. Want het vuur van Gods liefde moet nodig brandend gehouden worden, moet dagelijks toenemen en doordringen tot in het diepste van onze ziel en vuur wordt aangewakkerd door nieuwe brandstof toe te voegen. Daarom gaat het uit - dooft het uit - zodra het ophoudt te gloeiend. (Als Christus nu langskomt, 57-58)